Home Belgisch CAPT. MOON.

CAPT. MOON.

by Didier Becu

Wie in de jaren ’90 de Gentse muziekcafés als thuishaven had, moet ze beslist hebben gezien: Capt. Moon. Een band met een mooi DIY-parcours dat uiteindelijk leidde tot één van de strafste bands van dit land: Falling Man. Paul Van De Velde blikt met ons terug op het verleden.

Dag Paul, om het maar meteen te vragen… ik heb Capt. Moon altijd een verschrikkelijk ondergewaardeerde band gevonden. Hoe ga jij daar mee om of is het gewoon een kwestie van “’t was toch schoon geweest”.
Ik denk daar nog bijzonder weinig aan. Ik zal toen wellicht ook wel gevonden hebben dat we ondergewaardeerd waren. Het is intussen al bijna twintig jaar geleden. Het was een spannende tijd, we hebben een pak mooie optredens gedaan. Het was voor mij ook de eerste keer in een opnamestudio, de eerste keer een plaat maken. Veel opwindende momenten. Maar het is voorbij en het houdt me ook niet meer bezig.

De legende zegt dat jij en Lode begonnen met de newwaveband Jumble Magic, maar de mascara en de zwarte pullover werd al gauw aan de kant gelegd?
Ik heb Jumble Magic niet uit de grond gestampt. Ik ben er pas later bijgekomen, toen bassist Carl Bauters de band verliet heb ik zijn plaats ingenomen. Mascara en zwarte pullovers kwamen er trouwens niet aan te pas, dat was niet echt onze stijl. Wij keken toen vooral op naar bands als Joy Division, Wire en The Birthday Party. Ik droeg een legerhemd en Lode een wit hemd. En lange regenjassen, dat wel.

(c): Paul Van De Velde

Jullie waren toen intens met muziek bezig. Lode zat bij No Tomorrow Charlie, was dat voor Capt. Moon?
Lode zat inderdaad al bij No Tomorrow Charlie toen we met Capt. Moon begonnen. Na een tijd zijn die gestopt en kon iedereen zich helemaal op Capt. Moon concentreren. Dat vond ik wel een opluchting.

Er was ook jullie drummer Bart. Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen en was er in feite sprake van ambitie?
Bart Bauters zat ook al bij Jumble Magic, we zijn vrienden sinds mensenheugenis. Ik weet nog dat ik eerst bij hem gepolst heb of ie zin had om met iets nieuws te beginnen. Lode was toen druk met No Tomorrow Charlie, ik wou hem nog niet lastigvallen voor ik iets concreter kon aanbieden dan een vaag idee. Ik had een schets van een nummer opgenomen op mijn Fostex 4-track, een eerste aanzet van wat later The Night Of The Mower zou worden. Niet veel meer dan een riff en een ritmetrack, die had ik gedrumd op mijn Samsonite-boekentas. Bart was daar bijzonder enthousiast over. We zijn dan samen naar Lode gestapt en korte tijd later waren we vertrokken. In het begin hadden we een zangeres, de actrice Seele Veerle Luts. Na twee optredens heb ik de micro van haar overgenomen. En natuurlijk hadden we ambitie, we wilden Jon Spencer naar de kroon steken. The Jon Spencer Blues Explosion was op dat moment ons grote voorbeeld.

En toen kwam jullie eerste tape onder de naam Moon. Het zijn nog altijd behoorlijk indrukwekkende songs moet ik zeggen.
Mijn maat Rodrigo Fuentealba (Manngold, Fifty Foot Combo, The Fuzztones), die vorig jaar Candy van Falling Man geproducet heeft, vindt nog altijd dat die eerste demo stukken beter klinkt dan Manitoba, ons cd-debuut. Ik luister bijna nooit meer naar die muziek. Ik vind dat moeilijk. Ik kan de riffs wel nog altijd smaken, maar vind de nummers vaak te gecompliceerd.

En maar aan iedereen gaan verkondigen dat jullie de eerste band wilden zijn die op de maan ging spelen. Het is er uiteindelijk niet van gekomen, maar is die fascinatie voor de ruimte er nog?
Het leek toen een geschikt kleedje, een achtergrond om een band tegen af te tekenen. Een beetje zoals Bowie gedaan had met Ziggy Stardust of later met Diamond Dogs, dat zijn grimmige kader in Orwells ‘1984’ ging halen. Ik had toen net The Right Stuff van Tom Wolfe gelezen, een schitterend boek over het ruimteprogramma van de Amerikanen. Een mooie film bovendien, met een indrukwekkende Sam Shepard in de rol van Chuck Yeager, de jetpiloot die als eerste door de geluidsmuur ging. In dezelfde periode begon de BBC met heruitzendingen van Thunderbirds, de SF-animatieserie uit de jaren ’60. Allemaal zaken die me toen bijzonder fascineerden en waar we elementen uit meepikten om het universum van Capt. Moon vorm te geven. Nu ben ik daar niet echt meer mee bezig. Al heb ik afgelopen zomer wel weer bijzonder geboeid gekeken naar een paar mooie documentaires rond de vijftigste verjaardag van de eerste maanlanding.

(c) : Kinky Star Records

Van tape ging het vrij vlug naar de cd, hoe zijn jullie bij de Kinky Star terechtgekomen?
Ik denk dat dat gewoon voor de hand lag in die tijd, als je als Gentse alternatieve band een plaat uitbracht, dan was dat bij Kinky Star. Founding father Luc Waegeman van de Kinky was bovendien bijzonder enthousiast over onze muziek en heeft alles in gang gezet en begeleid.

Ik herinner me Capt. Moon vooral als een Gentse band. We konden jullie ieder weekend zien, was dat achteraf bekeken net niet te Gents?
We hebben toen inderdaad heel veel in Gent gespeeld, we doen dat met Falling Man trouwens ook. Ik speel bovendien nergens liever dan in Gent, omdat er dan altijd wel een pak vrienden in de zaal zitten en dan is het feest. Het is ook altijd een tikkeltje spannender, want de homebase wil je niet teleurstellen. Trouwens, ‘Gentse band’ is een eretitel he, meneer!

En toen was er die Mark E. Smith! Jouw held, maar in levende lijve toch nog het één en ander. Vertel!
Het was niet de beste periode om in hun voorprogramma te spelen. The Fall hing met haken en ogen aan mekaar, de bezetting wisselde om de haverklap. Ze waren op dat moment ook berooid, denk ik, ze hadden een deel van onze backline nodig om te kunnen spelen, één van de gitaristen kwam zelfs snaren lenen. En Mark E Smith deed zijn reputatie die dag alle eer aan, de Marquis gedroeg zich bijzonder onaangenaam, zowel tegen zijn bandleden als tegen ons. Tijdens onze soundcheck gooide hij met van alles omdat hij geen rommel op het podium wou. Bijzonder onprettig allemaal, onze toetseniste Liza Verhaeghe is het toen bijna afgetrapt. De bandleden vielen wel best mee, maar het waren niet de mensen waar ik ooit van droomde om ze backstage te ontmoeten. De tijd van Brix, de broers Hanley, Simon Wolstencroft, Craig Scanlon en Karl Burns, de machtige line up die verantwoordelijk was voor de beste platen van The Fall, was toen al lang voorbij. Het was al bij al niet zo’n bijster plezierige ervaring, maar mijn gigantische bewondering voor Mark E. Smith en The Fall en al het moois dat ze de wereld hebben ingestuurd is er gelukkig niet door aangetast. Ons optreden in hun voorprogramma was bovendien een succes, we wisten de fans van The Fall, die ons van haar noch pluimen kenden, te overtuigen. Dat gaf een machtig gevoel.

En toen was er niets meer… Het einde van Capt. Moon kwam er plots vond ik, en zonder veel toeters of bellen.
Ik denk dat het huis uitgewoond was. Liza was er uitgestapt en haar vervangen bleek heel moeilijk. We hebben er dan nog een paar andere mensen bijgehaald, een extra gitaar geprobeerd, maar het werkte niet meer. De band was muzikaal ook uitverteld. De laatste nummers die we gemaakt hebben, gingen een andere richting uit. Het waren meer een soort hardere popsongs, nummers die misschien wel beter in mekaar zaten dan vele van de oudere, maar we hebben niets meer gemaakt waar we nog helemaal achter stonden, waar we nog plezier aan beleefden. Het waren halfhartige pogingen om nog wat meubels te redden. En da’s dus niet gelukt. De stekker moest eruit, dat was duidelijk, het heeft alleen een tijdje geduurd voor we het doorhadden.

En dan werd het Falling Man. Hoe lang duurde het vooraleer je aan dit nieuwe avontuur begon?
Heel lang, wel een jaar of acht. Ik heb in die tijd met Lode muziek gemaakt voor een drietal toneelstukken van Theater Theo, we hebben die opvoeringen toen ook live begeleid. Maar van rock-’n-roll was er al die jaren nauwelijks sprake, op een paar jams met vrienden na. Pas toen ik met Sven De Potter en Lode weer in het repetitiekot ben gedoken, merkte ik hoe hard ik het gemist had om in een band te spelen.

Ik heb Capt. Moon altijd wel een pre-Falling Man gevonden. Vind je dat ook?
Dat zal wel zo zijn zeker? Voor mezelf natuurlijk wel. Maar of een luisteraar in onze muziek een echo van Capt Moon kan horen weet ik niet.

Hoe wil je dat Capt. Moon herinnerd blijft in de vaderlandse muziekgeschiedenis?
Met een bladzijde of drie misschien? Met veel wazige foto’s.

You may also like