Home Belgisch BERT DE CONINCK

BERT DE CONINCK

by Luminous Dash

”Suiker zegt ze, en ze lacht haar tanden bloot.” Met dit zinnetje uit het liedje Evelyne maakt het kleinkunstpubliek in 1975 kennis met de Bert De Coninck uit Mechelen. Het kwam uit de donkere, maar uitstekende debuutplaat Enfant Terrible die hij samen met Jean Rousseau uitbrengt. Vier jaar later volgt de cultklassieker Crapule de luxe. Twee elpee’s uit de tijd dat Gust De Coster het woord Belpop nog moest bedenken. Andere tijden! 

In 1980 richt Bert de groep Crapule De Luxe op. Met die band brengt hij de Engelstalige new wave-plaat Rooms for travellers uit. Daarna wordt het stil rond De Coninck. Net als Sixto ”Sugar Man” Rodríguez leek hij van de aardbodem verdwenen. Maar Bert duikt jaren later op in Portugal waar hij zich verdiept in de Portugese taal, de fado en poëzie. In 2000 verschijnt zijn cd Pomme d’amour met mooie, melancholische liedjes met invloeden uit o.a. de fado.

Net als bij Rodríguez is er bij Bert ook amper footage uit de jaren ’70. Op het archief van de VRT heeft men het schaamrood op de wangen als blijkt dat de geluidsband van een uniek concert in de kelder van de Koekelbergse basiliek niet bewaard is. In het video-archief van de VRT zit enkel een drie minuten durend fragment van zijn optreden op Nekka 77 in het Sportpaleis te Antwerpen en een TV-special uit 1979. Niet genoeg voor een aflevering van Belpop? Toch merkwaardig dat deze serie (nog) geen aandacht aan deze artiest besteed heeft. Merkwaardig voor iemand die met twee albums in de jaren ’70 de Nederlandstalige rock mee vorm gaf.

Hoe gaat het nu met hem? En hoe kijkt hij terug op die periode? Ik wil het weten en trok naar het zuiden van Portugal. Een interview over leven en werk van deze uitzonderlijke songsmid en rock-‘n-roll-performer. Op zoek naar de ”sugar man” van de Belpop. 

(c) : Hendrik Hindrex

Mechelen 1965. Bert De Coninck is dan 16 jaar jong. Wie is hij? Wat wil hij worden en luistert hij naar The Kinks?
Niet alleen naar The Kinks, ook naar The Who, Small Faces en The Spencer Davis Group en de vroege Stones… of course. Elke maand kwam er wel een nieuwe band met interessante, opzwepende nummers. Soms kwamen er dan van over de oceaan Good Vibrations. Dan kwam plots Friday On My Mind. En dan de Rock-Ola jukeboxen in de cafés natuurlijk, die heel goed klonken. Je hoefde er maar een paar munten in te steken en dan… een muzikaal festijn.

Voor ons even de fiets tegen Café Madrid in Mechelen. Dat heeft dan later een andere naam gekregen, maar elke maand was er wel iets nieuws. Dan waren het The Hollies, dan The Zombies… en kwamen The Doors overgewaaid. Hollandse vrienden die me die lp’s doorspeelden. Tegelijkertijd was ik een fan van – wat ik nog altijd de beste Nederlandstalige mensen vind – Boudewijn De Groot en Lennaert Nijgh. Maar vooral waren er in Mechelen ook jonge, enthousiaste mensen die kleine concerten inrichtten in zalen Volksbelang en Onder Den Toren voor tweehonderd man of zo. Ook in kleinere cafeetjes op en rond de Grote Markt.

Daar heb ik toen Ferre Grignard met zijn toenmalige hippieband The Hash Bamboo Shuffle gezien. Voor ons een openbaring: mannen die zich nooit wasten, met lang haar die overal hun voeten aan veegden, maar zo’n warme, zwarte muziek maakten. Eén van de beste optredens die ik ooit gezien heb was van Ferre Grignard. Daarna kwamen pas The Kinks.

Ik had toen al mijn bandje The Hot Matches. Drie dagen helemaal wild van The Kinks. Maar dat was nog niks in vergelijking met de Small Faces die de boel helemaal op stelten zetten. Graatmager, totaal euhm.. rebelse, vrije, luide muziek maakten. De muzikale kick die ik toen kreeg in die zalen heb ik later alleen maar nog eens beleefd met Elvis Costello toen ze zijn microfoon gestolen hadden en hij zodanig vol adrenaline zat dat hij daar een prachtige This Years’s Model heeft neergezet. Ik hou van stomende optredens en daarom noem ik het bandje waar ik nu mee speel (The Woodbines nvdr.) een stomerij. (lacht)

Je zat toen wel op school…
Atheneum Pitzemburg in Mechelen, in een oud klooster van de Jezuïeten, met als symbool de pelikaan die met bloed zijn jongen voedt. De pelikaan pikt met zijn bek in zijn borst, de druppels bloed vallen in de opengesperde mondjes van de kleine pelikaantjes. Dat stond symbool voor: wij zullen jullie een basis geven om later stinkend rijk te worden. (lacht)

Wat wou je toen worden ?
Eigenlijk wist ik dat toen niet. Iemand zoals Steve Marriott (gitarist van Small Faces en Humble Pie nvdr.) of minstens Ray Davies of Mick Jagger.

(c) : BERT DE CONINCK

Je dacht niet meteen aan de tolkenschool? Je ging echt voor de muziek?
Ik hield wel van talen. Ik haalde goeie punten voor Latijn, Frans en Engels. Maar wiskunde was catastrofaal. Heeft me veel bloed en zweten gekost. Ik hield ook van de gedichten van Vergilius en de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau van het romantisme was mijn held. Ik zat uren langs het kanaal Leuven-Mechelen heel rare blues te spelen als de jonge Werther, totaal verloren in innerlijke schmerzen. Maar wat ik nu nog altijd een formidabele zin vind is Rousseau die zegt “Homme attends que le vent de la mort se lève et tu déploieras ton vol vers les régions inconnues que ton coeur te demande.” Da’s een nadenkertje, als je die in verband brengt met euthanasie en zo… Op oudere leeftijd begin je al te denken aan het afscheid. Met andere woorden: het aards paradijs, vergeet het maar, het is ofwel heel kortstondig ofwel heel fragiel. Die filosofen, schrijvers, dichters… Albert Camus! La Peste! Die figuur van Camus die in Algerije schrijft en die dan nooit meer met de auto wil rijden en altijd met de trein reist en dan omdat een trein niet reed, tegen zijn zin in een auto gestapt met het bekende gevolg.

Je besluit om aan de tolkenschool te beginnen. Je speelt dan al in The Hot Matches.
Na het atheneum heb ik Engels – Spaans gekozen. Ik had beter Portugees gekozen… Ik heb dan later in Gent met avondschool vier jaar Portugees gedaan. Maar goed: ik heb daar veel aan gehad. Vooral aan Spaans en Frans als basis voor de Latijnse talen. Ik kan een Italiaanse krant lezen, maar ik kan die taal niet spreken. En ik ben gek op alles wat Latino is: poëzie, teksten van de flamenco over de fado. De belcanto in Italië, de barok die er ontstaan is, Pergolese, Vivaldi, de funk van toen eigenlijk! Na de ijskoude, sombere polyfone gezangen. In de kathedralen kwam eindelijk een orkest met trompet en violen en zo. Elk goed baroknummer maakt me onmiddellijk vrolijk. Zoals de funk. Precies hetzelfde. Ik heb die tolkenschool maar een jaar volgehouden, want ik heb het aan de stok gekregen met een leraar Engelse literatuur die mijn fles whisky die ik gewonnen had met de wedstrijd The most Carnaby’est man – stel je voor ! – afgenomen had. Ik heb er hem dan maar in mijn beste Engels op gewezen dat hij naar de hel kon lopen. Hij heeft geantwoord: “Ik zie je in september”. Ik was ontmoedigd en ik was leerbeu.

The Hot Matches dus! Waren dat schoolgenoten?
Ja, een klasgenoot zelfs. Zijn vader speelde trompet. Hij speelde gitaar en we volgden samen lessen bij het lief van mijn zus, die in een jazzband speelde en een eigen auto, een Fender Twin en een Rickenbacker elektrische gitaar had. Van hem kregen we dan lessen en konden we akkoorden leren. Dan nog een jaar klassieke gitaar geleerd. The Hot Matches waren twee studenten en een garagist. De drummer werkte bij zijn broer in een houtzagerij. Een voor allen, allen voor een! We speelden Gloria van Them, La Bamba enzovoort.

We pakten alle optredens aan die we konden krijgen. Op een keer werden we gevraagd in een van de zwaarste buurten van Mechelen. We konden toen al een uur lang goed entertainen. De zaal was wild enthousiast. Een zaal vol zeer ruige jongens en meisjes. Een sfeer die een beetje tense was. Alles bleef vriendelijk. Veel applaus. Toen gingen we naar huis en ze gingen met ons mee. Toen begon een van hen op de basdrum te slaan. Toen iemand van ons daar een opmerking over maakte, begonnen ze te vechten. Je leert daar wel van! Dat gebeurt als je jong bent. Nog altijd blij dat ik aan dingen meegedaan heb.

Je bent dan daar op een bepaald moment mee gestopt?
Er zijn dan een paar mensen bijgekomen. Een Nederlandse jongen ook, een goede zanger. Die band viel uiteen. Wel nog goeie vrienden gebleven. Later ook nog weergezien en zo.

Niks opgenomen?
Nee, alleen live gespeeld. Lol, lawaai. Ons ding kunnen doen. Het ligt helemaal in de sfeer die er toen was. De muziek die ons bevrijdde van de bourgeois, de saaie sfeer van de gezinnen van toen. Wij repeteerden in de houtzagerij van die drummer en dat was onze tempel! Ik had een vox en een gitaar die ik besteld had bij een van de eerste mailorderbedrijven! Een puberband, maar wel beter dan op straat rond te hangen.

Je bent dan ook gestopt met de tolkenschool?
Eigenlijk wou ik journalist worden. Er was toen nog geen echte specifieke opleiding voor journalisten. Studio Herman Teirlinck bestond ook nog niet. Er bestond alleen maar pers- en communicatiewetenschappen. En dan heb ik maar voor die talen gekozen. Na dat jaar had mijn vader er genoeg van. Daarna heeft hij mij ingeschreven voor een examen opsteller voor het ministerie van landbouw, diergeneeskundige inspectie. Ik ben daarin geslaagd met veel puntjes (lacht). En daar zat ik dan! Maar het was wel een leuke bende. ’s Middags gingen we eten in de Post en daarna vier pintjes en dan terug naar het ministerie (lacht). En met nieuwjaar stond er een fles in de dossierkasten.

Zoals in de BRT-serie De Collega’s?
Ja, ik heb de collega’s meegemaakt van dichtbij! Er was dikwijls een warme solidariteit en soms ruzie. Ik heb zelfs gevechten gezien. Het was een leuke tijd. Rond nieuwjaar het grote bal van al de mensen van de administratie: Sodom en Gomorra! Brussel was in die tijd ook een leuke stad. Er waren in de buurt van de Rue Neuve dancings onder de grond die om 11 uur ’s morgens de deuren openden. Echt een zwoele sfeer. En dan de geuren van die buitenlandse gerechten! De Rue De Bouchers – man, man, man ! – was echt veel kleurrijker en die geur, en vrijer… Je kon er ook goedkoop Marokkaans eten. Je zag er de gekste dingen gebeuren. Er was geen agressie, je kon gerust dronken over straat lopen. Ik heb er nooit miserie gehad.

(c) : BERT DE CONINCK

 

Zoals Johan Verminnen ze bezong over die goede jaren.
Ja, voilà ! Dat heb ik volgehouden tot ik mijn militaire dienst moest doen. Als overtuigd pacifist had ik mij voorgenomen om nooit bij het leger te gaan. Om te beginnen: ik wil geen baas. Niemand zal mij bevelen om iemand te doden of om het even wat me niet bevalt. De middelvinger! Ik ben dus gewoon naar een commune in Frankrijk getrokken. Een commune in de Larzac die toen al vegetarisch was. Zelfbedruipend. Wind- en watermolens, spinazievelden, een paard om te ploegen,..

De filosoof Lanza del Vasto, een discipel van Gandhi en stichter van de Communauté de l’Arche had in de Larzac een groot domein gekocht en een vrij elitaire commune opgericht waar ze ook deserteurs en gewetensbezwaarden opvingen. Je kon toen nog niet het statuut van gewetensbezwaarde hebben in België. Als ik met mezelf in het reine wou blijven, en zeggen: ”Ik neem nooit het zwaard in de hand”, dan moest ik weg. En dat heb ik dan ook gedaan. Nooit spijt van gehad. Ik heb de Provence leren kennen. Ik heb er zo’n twee jaar gewoond. Prachtige streek. Ik heb er in de tijd van de linkse regering een werk- en een verblijfsvergunning gekregen. Bij de boeren gewerkt, schapen gehoed, fruitoogsten meegemaakt. Ik herleefde daar samen met mijn eerste vrouw.

Ver van de muziek?
Niet zo ver. Want in de zomer was er enkel de tomatenpluk. Die was zo zwaar dat ik er niet moest aan beginnen. Daar moet je een ijzersterke rug voor hebben. Dan ging ik busken in Avignon. Gewoon op de stoep met de gitaar. Blues, Franse liedjes… (zingt) La poupée Qui Fait Non van Michel Polnareff. Dat lukte altijd. Het is pas later dat ik echt ben gaan busken: vijf terrassen rond de middag en vijf terrassen rond de avond. Zoals een traditionele busker. Daar kon je toen leuk van leven.

Wanneer besloot je toen om terug te keren naar België?
Op een zeker moment werden we overvallen door heimwee. Gek genoeg. Niet naar België zelf. Maar wel naar de leuke bruine kroegen! Goeie muziek, de vriendenkring. De kathedralen, het klokkengelui kon ik best missen. Als je trouwens in een bergdorp in de Provence woont, zijn de straten zo veel mooier, esthetischer dan de meeste straten in Mechelen, Willebroek, Sint-Niklaas of Aalst (lacht). Ik had henna-gekleurd haar tot op mijn rug en het eerste nummer wat ik hoorde toen ik in De Verloren Zoon op de Vismarkt in Mechelen binnenkwam was keihard School’s Out.

Alice Cooper!
Keihard. Ik dacht: ”Wow, I am back!”. Drie weken later had ik er dik spijt van.

Mechelen had niet echt de reputatie van een rockstad?
Nee hoor. Niet alleen hadden we Willy Donni (1936-2017) die toch iemand was in de jazzwereld. We hadden Luc Smets van The Pebbles. Voor The Pebbles opgericht werden, zat hij bij The Scallywags, één van de beste Belgische bands die ik ooit zag. Like a rolling stone. Luc speelde orgel en zong. Man, man, man!!! Stomend! Heel grote muzikant! Spijtig genoeg is hij nadien meer commerciële funk-muziek gaan spelen. Hij is daarna met The Pebbles begonnen. Dat was echt de Rock-Ola jukebox, maar dan live gebracht door Luc Smets. Hij zei bijna niets, maar hij zong ongelofelijk goed! We werden toen ook fan van The Pebbles. We gingen met de trein naar Blankenberge om ze op de zeedijk bezig te horen. De zee in de rug en The Pebbles in the front! Louis Neefs, Klaas Dekker en de Greta’s, Mechelse mannen met lang haar die aan den dop stonden. Met goeie versterkers en goeie gitaren. Daar stond ik als jonge kerel tussen. Jean Rousseau zat toen ook in die bende. Er was altijd wel een muzikale activiteit in Mechelen in die periode. Er waren bands die amper konden spelen, ze noemden zich Witchcraft… Dat was een soort vijfderangs Black Sabbath, maar dat was toch iets nieuws en daar gebeurde iets!

Schreef je toen ook al teksten,
(opvallend ernstig) Ik heb mijn eerste tekst geschreven toen ik vijf was. Die was tamelijk simpel. ”Ik ben een boterham met confituur.” Ik zong en terwijl wreef ik met mijn rechterhand in een cirkel op mijn buik en met mijn linkerhand in tegenovergestelde richting op mijn hoofd. Dan ging ik in de keuken staan en zong dat voor mijn moeder. Het eerste liedje dat ik ooit geschreven heb. Verder schreef ik graag gedichtjes, ik wou me kunnen uitdrukken.

Wanneer heb je je eerste echte nummer geschreven?
(zucht) Ik denk dat dat Evelyne was. Die plaat verscheen in 1975. Ik was in Marokko in 1974, eigenlijk had ik naar Portugal moeten gaan, want de revolutie was begonnen, maar ging dus toen naar België. Van vrienden kreeg ik een ruimte in een boerderij op de Hondshoek in Bonheiden. Heel afgelegen. Mooi zicht vanuit het raam, maar ijskoud, no money, alleen havermout en water, erwtjes in blik en zo. Ascetisch, beetje zen. Geitenkaas maken, veel slapen,… Alles achter me gelaten, gescheiden van mijn eerste echtgenote,… Breuklijn hier, breuklijn daar. In alle rust, volledig clean heb ik dat nummer daar geschreven bij de Leuvense stoof. ”Suiker, zegt ze…”, daar is het mee begonnen. La mineur-akkoord en de rest kwam tien minuten later. En mijn eerste kindje was geboren. Ik denk dat dat mijn eerste echte tekst was. En daarna ben ik gewoon verder gegaan. Toen ik voelde dat de mensen dat wel leuk vonden, heb ik er nog een paar gemaakt.

Je hebt eerst nog een tijd in Marokko gezeten? Hoe lang was dat?
Al die jaren! Na de Provence zijn we teruggekeerd en bij de breuk met mijn vrouw zijn we nog samen naar Marokko gegaan. Ik ben daar gebleven en zij is met andere mensen terug naar België gegaan. Ik ben in m’n eentje via Spanje terug naar Mechelen getrokken. Ik had zelfs geen jas meer. Ik had alleen een kleine koffer met mijn gitaar.

Hoe lang ben je alles bij mekaar weggeweest?
Zo’n drie jaar… gaan en komen, maar het was altijd got to get out of here! Eigenlijk is dat dikwijls de beste oplossing: een andere landschap instappen. En dan is het eigenlijk begonnen met Evelyne op het Humorfestival in Heist.

Je hebt jezelf ingeschreven?
Jean (Rousseau 1950-2019, ook bekend van Bizjoe, Der Polizei en LSP-Band nvdr.) heeft me gezegd: ”Kijk er valt hier een prijzenpot te winnen van 20.000 frank”. Ik dacht: ”Goh ja…”

Grappig waren jullie toch niet?
Dat is het nou net! Dan heb ik na een slapeloze nacht van mijn vriendin geld gekregen om de trein naar Knokke te nemen. Ik ben daar volledig nuchter het podium opgestapt. En ik heb daar toen Evelyne en Bijna Dood eruit gegooid, met mijn klompen aan en in mijn gescheurd hemd. Helemaal mezelf ! Ik heb dat gewonnen. Ik viel achterover – letterlijk – van mijn stoel.

Stond je alleen op dat podium?
Ja, want Jean Rousseau, die het initiatief genomen had, die moest per se met zijn vriendin en haar ouders naar Spanje. Want die reis was geboekt… En ik moest dus helemaal alleen het podium op, net nu ik zo blij was dat ik een degelijke begeleider en steunpilaar had gevonden. Maar dat heeft me net de nodige adrenaline bezorgd om dat liedje expressief te brengen. Ik won toen een platencontract en 20.000 frank. Dat was om euforisch van te worden! De volgende dag in Bonheiden zat de hippiescene en de scene van de Mechelse Vismarkt in mijn tuin. Groot feest! Zo ging dat toen.

Het probleem was dat Nico Mertens (van platenfirma Parsifal nvdr.) bij mij kwam en zei dat ik die wedstrijd zou winnen. Kom nou! Hij bood me wat te drinken aan en betaalde me een maaltijd. Nico Mertens, burgerlijk ingenieur, intellectueel, welbespraakt, kenner van het Franse chanson. Bezieler van een groot deel van de kleinkunstscene toen. Ik dacht dat het goed was en ik dacht meteen dat het Parsifal zou worden. Ik had helemaal niet in de mot dat ik totaal onvoorbereid was. Eigenlijk ben ik daar in getuimeld in plaats van langzaam een repertoire op te bouwen. En daarmee gaan optreden en een zekere bekendheid te verwerven. In plaats daarvan heb ik dat op een zotte morgen gewonnen en stond ik de volgende dag op de voorpagina van Het Nieuwsblad en De Standaard.

Je had toen twee nummers?
Ik had nog wel liedjes. De Stinkende Regen was een gedicht dat