Het is wel grappig eigenlijk. Een kabasse heeft in onze dialecten een hele resem betekenissen, van boodschappenmand tot aalkorf tot het vrouwelijk geslachtsdeel. Op hekjes zitten doen de hangouderen in onze stad (Kotsrijk) dan weer niet. Ze nemen zitbankjes in beslag die eigenlijk bedoeld zijn voor mensen die wachten op hun gezelschap dat de auto ondergronds parkeert. Nu zit er een stel verwaaide wieties pinten te drinken (en groensels te roken) terwijl ze commentaar geven op elke vrouw die passeert. Dat onveiligheidsgevoel nietwaar. Het komt ergens vandaan, en we horen het genoeg van vrouwen die op straat gewoon hun ding doen terwijl allerlei oelewappers zich verplicht voelen om te fluiten of wansmakelijk commentaar te geven.

Dat doet de gelijknamige band uiteraard niet, integendeel, ze zwijgen helemaal. Het sextet, aangevoerd door songsmid Sigmund Ferner (zie ook Carpet), brengt een soort hedendaagse jazz met wat proginvloeden waarvan kan worden gemeld dat het allemaal uitstekend in elkaar wordt gezegd maar voor onze oren toch net een beetje te gezapig klinkt.
Het is eerder als zitten op een hekje en wachten tot er ooit iemand langs komt om naar te kijken, want zwijgen hoort erbij, het is namelijk instrumentale muziek. Ook wel interessant is dat, zo blijkt uit het bijgeleverde tekstvelletje, dat Ferner de muziek ook net zo bedoelde: de kunst van het wachten is namelijk de essentie van deze muziek.
Met leden uit München en Augsburg, waaronder zijn eigen zoon, slaagt hij er goed in om zijn ideeën naar sfeervolle deuntjes om te zetten die wat ons betreft prima op de achtergrond blijven maar ons nergens echt beroeren. Deel van het wachten op wat komt veronderstellen we dan maar.


