Foto: Hendrik Hindrex
Deze maand verschijnt bij uitgeverij Lannoo het Groot Vlaams Liedboek. De Hollandse Ajaxied Voskuil die een boek schrijft over Vlaamse liedjes? Daar wilden we meer over weten!
Dag Peter Voskuil. Wie is Peter Voskuil eigenlijk?
Ik ben een Nederlandse journalist die begonnen is met het schrijven voor kranten. Eerst bij het Haarlems Dagblad, wat hier een bekende regionale titel was waar ooit ook Lennaert Nijgh voor schreef. Mijn eerste boek was zijn biografie. Heemstede ligt natuurlijk vlakbij Haarlem. En later ben ik tijdschriften gaan maken en nog later boeken. De Vlamingen kennen mij nog niet. Maar ze zouden mij moeten leren kennen van het boek dat uit gaat komen. Of misschien van het Boudewijn de Groot‑oeuvreboek. Want Boudewijn is in België ook best bekend natuurlijk. Het boek dat uit gaat komen is Het Groot Vlaams Liedboek, waar ik nu een jaar of drie voor leef. Want die Vlaamse muziek is natuurlijk geweldig.

Wat is het onderzoeksveld?
In mijn boek ga ik 101 liedjes behandelen. Dat zijn allemaal Vlaamstalige (sic) liedjes van tussen 1960 en 2025. Ik heb de grens bij 1960 getrokken omdat research van alles wat daarvoor komt natuurlijk heel moeilijk is. Bovendien ga ik ervan uit dat mensen meer in moderne Belgische of Vlaamse muziek geïnteresseerd zijn. Die liedjes heb ik niet op mijn eigen smaak uitgekozen, maar ik heb de ‘aller tijden’-lijsten, waar er in België nogal wat van zijn, over elkaar heen gelegd. Ik ga ervan uit dat het de Vlamingen zelf zijn die het meeste verstand hebben van hun muziek. Ik heb niet moeilijk gedaan, maar de bekendste liedjes gekozen waar tienduizenden mensen de moeite voor nemen om een kaartje voor in te sturen, of waar ze tegenwoordig op het internet voor stemmen. Vooral die evergreens staan in mijn boek. Jan Delvaux, eigenlijk is dat de Leo Blokhuis van België, gaat natuurlijk veel dieper. Ik heb geprobeerd die 101 liedjes helemaal uit te diepen, met zoveel mogelijk mensen die nog leven spreken: de artiesten zelf, mensen die in de studio aanwezig waren. Het gaat écht over de liedjes zelf.
Wat heeft je getriggerd om deze helse onderneming te starten?
De muziek! Die is zo geweldig! In Nederland weten we heus wel wie Raymond van het Groenewoud is. We luisteren hier ook graag naar Belpop. De Engelstalige muziek heb ik voor dit boek buiten beschouwing gelaten. Ik ben vooral in de coronatijd erachter gekomen dat er een soort parallel platenuniversum is. Het Nederlandse platenuniversum kende ik al, maar ik ben me in dat Vlaamse universum gaan verdiepen en het is natuurlijk fantastisch wat voor muziek in Vlaanderen allemaal gemaakt is. En dan vind ik het een schande dat wij dat in Nederland niet eens kennen. We hebben dat nooit serieus genomen. En het mooie is dat Vlamingen Nederlandse muziek wél serieus nemen. Jullie weten echt wel wat er bij ons gebeurt op muzikaal Nederlandstalig gebied. Maar er is iets, misschien is het arrogantie, waardoor wij daar niet aan willen. En dat vind ik een groot gemis.
Mik je op een Vlaams of Nederlands publiek?
Allebei! Als je de Vlaamse muziek niet kent, dan vouwt er zich een heel universum voor je open. Een landschap met fantastische muziek. En van mensen die deze muziek wel kennen, hoop ik op reacties als: “Goh, dat wist ik nog niet over dat liedje”. Ik heb alles toch wel uit de eerste hand. Ik noem dat het herbeleven. Zeker in Vlaanderen zullen ze die liedjes allemaal wel kennen. Maar als je mijn verhaal hebt gelezen, dan zou je – dat is mijn streven – toch anders naar die muziek kunnen luisteren. “Daarom klinkt het zoals het klinkt. Oh, die speelt dát instrument!” Want dat ligt ook helemaal niet voor de hand. Er zijn heel bekende nummers bij, waar zeker de Vlamingen – dat voorspel ik – over vijftig, honderd jaar nog naar luisteren. En dan vind ik het altijd heel raar dat een sessiemuzikant de bas speelt en dat wij niet weten wie dat is.
Je hebt dus op een bepaald moment die lijst opgemaakt… En toen?
Die lijst is ook veranderd. Ik kan nooit compleet zijn. Er zijn altijd mooie liedjes die je vergeet. Maar ik heb dus geprobeerd om de algemene smaak te volgen. Maar het was best moeilijk. In Nederland ken ik allemaal mensen, daar is het voor mij niet zo moeilijk om een artiest te achterhalen, waar die woont… Maar dat is in België heel moeilijk. Het eerste interview dat ik heb gedaan was Frans Ieven, de producer van deze plaat (wijst naar de elpee Zzrrrrôôô) van Jan De Wilde. Hij had ook een mooie carrière bij de BRT. Het heeft mij ongelooflijk veel moeite gekost om die man te pakken te krijgen. Na een tijdje kwam ik erachter dat hij in Grimbergen woonde. Via via ben ik bij hem terechtgekomen. Net zoals ik jou benaderd heb om bij Bert De Coninck te komen. En uiteindelijk had ik Frans Ieven aan de mail en mocht ik langskomen. Maar dat is dus veel meer werk omdat je geen netwerk hebt. Gaandeweg werd het wel wat makkelijker, want dan leer je mensen kennen. En dan kan je mensen iets vragen. Het leuke is wel dat iedereen die ik wilde spreken ook meedeed. Ik heb iets van zeventig mensen geïnterviewd. Als de artiesten nog leefden, dan komen ze aan het woord.
Wie heb je kunnen interviewen en wie niet?
Daar kan ik vrij kort over zijn. De mensen die overleden zijn niet natuurlijk. Iemand die ontbreekt is Will Tura. Ik begrijp dat hij dementerend is, en dan is de vraag of zo’n interview iets toevoegt. Dat is jammer. Ook dat sommige mensen er niet meer zijn. Maar wat ook blijkt is dat het wereldje hier zo mooi klein is. Ons kent ons. En dat is ook weer leuk.
Heb je Johan Verminnen nog kunnen interviewen? Hij heeft net zijn vijfenzeventigste verjaardag gevierd.
Ja! Een leuke middag was dat! Ik hoorde dat hij weer op de radio was. Hij is weer aan het opkrabbelen. Toen ik hem sprak, was hij druk bezig met wat ‘zijn laatste elpee’ ging worden. Hij was helemaal bezig met dat album. Hij was in de fase van de teksten schrijven. Ik hoop dat dat nog lukt en dat hij het afscheid krijgt dat hij verdient (op de dag van dit interview was de afscheidstour van Verminnen nog niet aangekondigd, nvdr.).
Je bent een enorme muziekliefhebber, maar niet zo’n concertganger. Heb je de mensen uit je boek ook live gezien?
Ik ga heus wel naar concerten. Maar ik ben niet opgegroeid in België. Dus ik heb heel weinig mensen uit mijn boek zien optreden. Dat kan misschien een gemis zijn. Ik richt mij wel op wat ze in de studio gedaan hebben. Op die ene dag dat ze dat ene liedje hebben opgenomen. Ik ben natuurlijk helemaal niet origineel. Ik ga naar Raymond van het Groenewoud en ik vraag hem hoe Meisjes tot stand is gekomen. Of ik pak van iedereen de grootste hits of de bekende nummers. Ik zou wel een tijdmachine willen hebben dat je her en der naar binnen kan stappen.
Maar wat je doet is wel enorm interessant voor jongere mensen die deze liedjes nu oppikken. Soms zelfs via tv‑uitzendingen zoals LikeMe.
Ja. En weet je… Het kan soms zo zijn dat je jarenlang naar nummers luistert en er plots iets gebeurt waardoor je een nummer plots heel erg goed gaat vinden. Ik luisterde naar al die nummers en het ene nummer is nog mooier dan het andere. En dan wil je er meer over weten. En dat is wat dit boek beoogt: dat je iets meer over de achtergrond leert kennen. Het viel me toen wel tegen dat er zo weinig op schrift staat over die liedjes. En zo is dat begonnen. Ik heb in Vlaanderen gewerkt. Ik was uitgever en we hadden een uitgeverij. Er was een Vlaamse aandeelhouder uit Beerse bij Antwerpen. Ik reed toen vaak naar België. We hadden daar ons magazijn. En er moest soms overlegd worden. Ik reed daar toen naartoe met die muziek op. Van toen was het niet meer te houden. Je gaat googelen, platen en cd’s aanschaffen. Het wordt steeds meer en meer. Ik heb dat boek nu, maar ik denk dat ik volgend jaar weer Vlaamse… Het is heel groot wat er allemaal is.
Ben je ook de archieven ingedoken? Ben je bekend met het Vlaamse tijdschrift Kick?
Er zijn natuurlijk heel veel tijdschriften. Toevallig ben ik ook bij Nekka geweest. Die hebben ook een heel mooi archief met allerlei ingebonden jaargangen. Daar stond ik naar te kijken en toen dacht ik: “Daar zou ik op lange termijn ook iets mee kunnen gaan doen”. Voor een Nederlander is het heel moeilijk om al die tijdschriften te hebben of zelfs te mogen raadplegen. Maar ik heb wel wat interviews gevonden en boeken gelezen. Als artiesten een biografie hebben, dan heb ik die wel gelezen. Maar ja, ouwe jaargangen van Humo, Kick en Joepie… Dat zijn allemaal bladen die ik nog een keer graag zou willen zien. Ze zijn niet ruim vertegenwoordigd in het boek.
Ik ben gek op archieven. Daar vind je zoveel dingen in. Ik ben wel heel veel in de Nederlandse archieven geweest. Maar die Vlaamse archieven: ondoenbaar. Die 70 interviews: dat is voor mij 200 kilometer heen, 200 km terug. Soms probeerde ik wel eens twee interviews op één dag te doen, maar dat tikt toch aardig aan. Mijn boeken hebben nogal de neiging om allesomvattend te zijn. Maar ik heb geprobeerd om het beperkt te houden. Dus ik heb me vooral op de interviews zelf gericht.
Het kleinkunstfestival Nekka en hun archief is je dus bekend. Een ander populair festival dat in de jaren 70 en 80 veel kleinkunst programmeerde was Mallemunt. Dat was in Brussel op het Muntplein, vandaar de naam. Ook daar is zo weinig van bewaard gebleven. Zo jammer…
Ja, dat is ook heel jammer. Ik heb dat hele dikke boek over de Nederlandse platenindustrie geschreven (Dutch Mountains, nvdr.). Dan kom je er dus achter dat er heel veel weggeknikkerd wordt. Popmuziek is toch vaak iets vluchtigs. Mensen hebben toch vaak het gevoel dat dit geen echte kunst is. Popmuziek is voor mij net zo belangrijk als een schilderij aan de muur of een toneel‑ of theatervoorstelling. Dat besef is er niet altijd. Daar ben ik in Nederland heel erg van geschrokken: wat daar niet allemaal vernietigd is. Die platenmaatschappijen zijn allemaal bezig om de volgende hit te produceren. En er komt altijd wel iemand binnen die ruimte nodig heeft. Een heel magazijn vol en het kost allemaal geld. En dan wordt het weggegooid.
Een van de meest schrijnende verhalen vind ik dat Decca failliet is gegaan en al die mastertapes zijn verloren gegaan. Als je nog iets van die muziek wil maken, moet je ze van een plaat afhalen. Een soort van heiligschennis. Dat soort dingen gebeurt. Mijn missie is om dat soort dingen vast te leggen. Ik heb dus een tijdje gedacht: moet je dat als Nederlander gaan doen in Vlaanderen? Maar ik vind het dan zo leuk om dat te doen. Want alleen gekken gaan dat doen. Een Nederlandse journalist moet toch een steekje los hebben om daar helemaal aan te beginnen. Ik werd ook overal bijzonder goed ontvangen.
Bij die 101 liedjes die je besproken hebt, zitten ook een aantal nummers in het dialect. Hoe ben je daarmee omgegaan? Begreep je die teksten?
Nou, eerlijk gezegd… Dat vereist wel enige studie. En soms begrijp je ze in één keer. Heel raar is dat. Ik vind dat heel erg leuk. Als je van taal houdt, dan zijn dialecten fantastisch. Hoe mensen dingen onder woorden brengen. Ik heb Martin De Haeck geïnterviewd. Hij is arrangeur geweest van onder anderen Fabien Collin. Dat is nog een ander verhaal… En hij heeft ook met Jan Puimège gewerkt. Die Martin woont in Brasschaat en wat bleek? Hij had het heel de tijd over een ruitenwasser. Daar moest ik een beetje om lachen. Verrek, hij bedoelt een glazenwasser. En toen ging ik daarover nadenken: wij doen dat in Nederland helemaal verkeerd. Want een glazenwasser staat in een café. Allemaal leuke dingen die je tegenkomt.
Ik heb Flip Kowlier voorgesteld om het interview in het West‑Vlaams te doen. Dat was in een heel dappere bui. Maar na dertig seconden heb ik dat maar afgewimpeld, want dat is niet vol te houden. Dus het vereist heel goed te luisteren. De meeste liedjes snap je wel, maar bij Flip Kowlier moest ik echt het tekstboekje erbij pakken. Anders begreep ik niet waarover hij zingt.
En dan nog zal je het misschien verkeerd begrijpen. Het is een taal op zich.
Kan je nagaan hoe goed die muziek is. Dat hij me dan toch nog pakt. Dan komen we natuurlijk ook bij Willem Vermandere uit. Nou moet ik zeggen dat ik Willem Vermandere makkelijker te begrijpen vind dan Flip Kowlier. Die heeft trouwens een nummer Directeur. Dát nummer is voor ons niet te begrijpen.
Het Zesde Metaal komt ook in je lijst voor… Naar de wuppe. Weet je wat de titel betekent?
Zeker weten. Geweldig. Het grappige is dat het ook nog “Naar de wippe” kan zijn. Zelfs Wannes heeft zitten twijfelen: moet ik “naar de wippe” of “naar de wuppe” gebruiken? Waar hij vandaan komt, zeggen ze “naar de wippe”. Maar de meeste zeggen toch “naar de wuppe”. Dus laat ik het liedje toch maar Naar de wuppe noemen. Ik vind dat echt een geweldig nummer.
Komt Brel voor in je boek? Je hebt trouwens wat met Brel.
Brel komt in het boek voor omdat hij wel een paar Vlaamse liedjes heeft gemaakt. Ik heb heel veel met Brel. Ik heb – toen ik nog uitgever was in Nederland – een heel groot boek over Brel gemaakt. Daar staat het (wijst naar de boekenkast). Maar zo gauw hij in het Nederlands zingt, valt hij af voor dit boek. Ik heb voor dit boek de fotoredactie gedaan. Het is geschreven door mijn vriend en collega‑journalist Henk van Gelder. Hij is onlangs overleden. Vic van de Reijt, de uitgever, wilde dit altijd nog eens maken. Maar die was met pensioen, kreeg dat niet meer voor elkaar en dus hebben wij het gemaakt. En het leuke was dat ik toegang had tot álle Nederlandse fotoarchieven. Ik sta daar op goede voet mee. Die zijn allemaal nog dieper dan diep gaan zoeken. Je ziet Brel op de foto staan, maar alleen maar in Nederland. Dat vind ik grappig dat zoiets gelukt is. Maar Brel staat natuurlijk in mijn boek. Met Mijn vlakke land uiteraard.
Waar zou je eerder heen gaan: het ‘Huis met de Pilaren’ in Bergen, Noord‑Holland (een horecazaak waar Jacques Brel een concert gegeven heeft dat door de VPRO gefilmd werd, nvdr.) of naar een tributeconcert later dit jaar in Amsterdam?
Ik bén retro, hè. (lacht) Ik ben zo stom dat ik bij die Pilaren ga kijken. Ik ben wel al in Bergen geweest, maar dat Huis met de Pilaren, daar kwam ik nog niet aan toe. Eigenlijk zou je tóch naar Amsterdam moeten. Dat vind ik. Er is heel veel kritiek op tributebands. In ieder geval in Nederland is dat zo. Ik weet niet of dat ook in Vlaanderen speelt. In Nederland worden ze heel groot. Heel veel artiesten komen niet meer toe aan het schrijven van eigen nummers. Die zijn alles aan het recyclen. Maar aan de andere kant vind ik dat ook wel goed, want dat houdt de muziek wel levend. Ik zou het allebei wel willen. Maar Brel imiteren is héél moeilijk.
Fabien Collin! Zijn naam viel daarnet al. Slechts een paar liedjes…
Jaaaah! In wezen is zijn verhaal een boek op zich. Ongelofelijk. Ik kende dat verhaal wel: dat had ik ergens gelezen en gehoord. In Nederland heb ik op Facebook ook contact met allerlei mensen. Eén van die mensen is Bouke van Gelderen. Hij is vanaf zijn dertiende helemaal weg van de Nederbeat uit de jaren 60. Eigenlijk wilde hij muziekjournalist worden. Ik keek op Facebook en wie was er bij Fabien Collin geweest? Hij! Dat was op het moment dat ik Martin De Haeck al had gesproken, die ook bij die opnames was. Via Bouke had ik dus zijn telefoonnummer en adres. Ik wilde erheen gaan, ware het niet dat Bouke alles al uitgezocht had. Ik heb eigenlijk het hele verhaal van Fabien dankzij Bouke in mijn boek. Ik heb eigenlijk Fabien overgeslagen om te interviewen omdat hij zo goed geïnterviewd was. En ik heb Martin De Haeck gesproken. Dus ik weet wel wat er in die sessies gebeurd is. Hij leeft en ik zou hem eigenlijk toch nog eens willen opzoeken. Er komt een grote perspresentatie, het lijkt me heel erg leuk als hij daar komt. Maar het is een moeilijk iets, want hij heeft de popmuziek totaal afgezworen. Is in de problemen gekomen met zijn drugsgebruik. Dan radicaal het roer omgegooid. En zich helemaal aan het geloof gecommitteerd. Hij neemt ook een beetje afstand van die muziek. Zijn oeuvre – wat niet moeilijk om te beluisteren is omdat het slechts vier nummers zijn – heb ik doorgenomen. Er is een liedje Satan in eigen persoon. Dat zou je ook als christelijk liedje kunnen interpreteren. Wat die jongen zong in Antwerpen… Het rammelt aan alle kanten. Je zou denken: het is niks waard. Hoe komt het dan dat ik als 54‑jarige Nederlander volkomen val voor die opname? Ik probeer me het puriteinse Vlaanderen van die jaren voor te stellen en als dan die platen uit de kamer van je kinderen hoort schallen. Zinnen als “Je moeder lijkt op Mussolini”. En “Je vader doet me denken aan Adolf Hitler”. Dat lag natuurlijk heel erg gevoelig, maar wel dapper dat hij dat durfde te zingen. Hij heeft dat nummer Ophoepelen… Martin De Haeck zei: “Wij vonden dat schitterend dat hij dat zo zong”. Hij staat in de lijst. Uiteraard.
Fabien Collin staat ook op dé 4CD‑collectie van de Belpop: Wit‑lof from Belgium.
Het is daar dat Martin zijn nummers heeft leren kennen. De single werd me aangeboden via Discogs voor 500 euro!
Het Antwerpen van de jaren 60 en 70 was ook toen al heel hip. Kunstenaars als Panamarenko, het mode‑icoon Ann Salens, die de jurken van Ann Christy maakte. Een mooi sprongetje: staat Ann Christy ook in je boek?
Het probleem met Ann Christy is dat het erg moeilijk was om iemand te vinden die bij de opnames van Dag vreemde man was. Of bij een van die andere mooie liedjes. Jean Blaute heb ik uitgebreid geïnterviewd. Die stond het dichtste bij haar. Ik kon niet makkelijk een verhaal over die opname maken. Die liedjes staan eigenlijk chronologisch in het boek. Ze zijn ook zo uitgekozen dat het gelijkmatig verdeeld is: niet dertig liedjes uit 1964 en dat er daarna hele gaten vallen. Dat is ook een beperking. Ik heb bijna een soort canon gemaakt. Maar tussen al die liedjes heb ik ook interludes, aparte hoofdstukken, die vertellen wat er in de Belgische platenindustrie gebeurde. Wat gebeurde er op andere vlakken? We kennen allemaal Tien om te zien. Dat is ook zo’n apart hoofdstuk. Dat heeft de Vlaamse muziek natuurlijk ook enorm positief beïnvloed. En als je straks alles achter elkaar leest, dan heb je toch redelijk de hoofdlijnen van de Vlaamse en de Belgische platenindustrie te pakken. Wat ik me ook afvraag is: waarom – buiten het levenslied – er zo weinig Vlaamse zangeressen zijn? Maar in mijn boek laat ik het levenslied en kinderliedjes buiten beschouwing. Anders werd het te groot. En die staan ook niet zo in de ‘aller tijden’-lijstjes.
Ik heb een zwak voor Vlaamse levensmuziek. Schlagers noemen jullie het. Maar zij komt dus wel aan bod in een van mijn hoofdstukken. Maar Ann Christy had ik het allerliefst willen interviewen. Ik ben nog op zoek geweest naar haar tekstschrijver Mary Boduin (alias Mary Vijg, geboren in 1941). Zij is Nederlandse. Ik had haar graag gesproken, maar ik heb haar nergens kunnen achterhalen.
Della Bosiers! Zij was niet alleen bekend om haar eigen liedjes, maar ook om haar samenwerking met Wim De Craene en Ramses Shaffy. En natuurlijk met de intro van de iconische BRT‑jeugdserie Keromar.
Ja, Della Bosiers heb ik wel geïnterviewd. Zij staat in mijn boek met het liedje Horizontaal en met de evergreen Fleur de Buda. Daar heb ik met haar vooral over gesproken. Zij vertelde mij ook wel – precies wat jij net ook zei – hoe hip en happening dat allemaal was in Antwerpen en omgeving.
Jean Blaute was ook alomtegenwoordig toen.
Het boek opent ook met een groot inleidend interview met Jean.
Je zei net ‘Vlaamstalig’. Dat woord wordt in Vlaanderen niet gebruikt. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die zich daaraan storen.
Dat zal ongetwijfeld. Wij hebben de cover al getoond in Vlaanderen. Die opmerking hebben we al gekregen. Het gaat ook Het Groot Vlaams Liedboek heten. Ik zat met dat probleem. Je hebt Vlaamse liedjes, maar een Vlaams liedje hoeft niet per se Nederlandstalig te zijn. Dus dan kom je uit op het Vlaamstalige lied. Er zijn natuurlijk naast veel Nederlandstalige liedjes ook heel veel Engelstalige liedjes gemaakt door Vlamingen. En dat zou je ook Vlaamse liedjes kunnen noemen. Daar zou verwarring kunnen ontstaan. Dus vandaar dat wij dat woord ‘Vlaamstalig’ hanteren. In de hoop dat jullie dat begrijpen (lacht).
Tachtig wordt prachtig! Wat heb je gekozen uit de jaren 80?
Ik heb Arbeid Adelt! Het probleem van de jaren 80 is dat die hele muziek totaal in elkaar klapte op dat moment. Er is toen heel weinig Vlaamstalige muziek uitgekomen. Johan Verminnen heb ik daar staan. Urbanus uiteraard met Madammen met een bontjas. We komen dan natuurlijk bij De Kreuners terecht.
Dan nog even snel naar de hedendaagse liedjes. Ik denk aan Kaat Van Stralen.
Het ding met klassiekers is dat je niet kan voorspellen wat nu echt een klassieker wordt. Dat vind ik moeilijk. Ik ging Raymond van het Groenewoud interviewen. Die vierde die avond zijn vijfenzeventigste verjaardag. Hij nodigde me uit. Toen heb ik Meltheads zien optreden. Gewéldige band! En Naïef is nou een liedje waarvan je denkt dat het een klassieker wordt. Maar je kan het moeilijk voorspellen.
Jouw zoektocht stopt in 2025.
Er wordt wel melding gemaakt van recenter werk. Naïef noem ik nog: ik zie ook wel dat het al bijna een klassieker is of het misschien al is. Ik heb bijvoorbeeld ook Spilar: Wa ga je gie doen en Acht soldaten. Die heb ik erin gezet. Ook Hannelore Bedert staat in mijn boek. Ze staat erin met Kom naar huis, wat een héél indrukwekkend verhaal is. Dat nummer kom ik ook in al die ‘aller tijden’-lijsten tegen.
Welke van de namen uit jouw boek spreken het meest tot de verbeelding in Nederland?
Urbanus kennen we. Als ik het hier in Nederland over heb, wordt Clouseau vaak genoemd. Bart Peeters is hier een presentator, veel meer dan een zanger. Maar als ik erover doorpraat, kent iedereen toch wel She Goes Nana van The Radios. Daar stopt het dan ook wel. Ivan Heylen is ook heel populair en groot geweest hier, maar slechts een korte tijd. Hij staat ook op mijn lijst. Dat heeft veel moeite gekost, maar ik heb hem gesproken. Weliswaar telefonisch, maar toch. Leuk interview. Geweldige verhalen. Die kennis reikt hier niet zo ver. Dat heeft toch met een bepaalde Nederlandse arrogantie te maken dat wij daar niet naar willen luisteren. Heel raar vind ik dat als je kijkt naar Normaal, Daniël Lohues… Er zijn in Nederland tal van artiesten die in het dialect zingen. Maar zodra dat dialect uit Vlaanderen komt, is er geen interesse. Ik vind dat vreemd. Ik vind het heel leuk om naar Daniël Lohues te luisteren. Die taal is net even anders. Ik snap prima wat hij zingt. Dat geldt ook voor Vlaamse muziek. Zeker in de jaren 70 had je dat Vlaamse muziek heel erg Nederlands moest zingen. Wim De Craene: Nederlandser kan haast niet, toch? Die doet met opzet zijn best om Nederlands te klinken, maar ook een beetje tegennatuurlijk.
Big Bill…
Die heb ik wel eens beluisterd. Ja, er zijn nog meer pareltjes waar ik helemaal niet aan toe gekomen ben. Misschien moeten we eens een cultboek maken.
Met De Kommeniste, De Brassers…
De Brassers, ja! Ik voel het al aankomen. Straks zijn er mensen die zullen zeggen dat ik er helemaal geen verstand van heb. (lacht) Dat moet ik dan maar rustig slikken. Want ik ben ook geen Vlaming en ze hebben allemaal gelijk.
De Kreuners…
Ik heb Ben Crabbé over de telefoon gesproken over De Kreuners. Met Ik wil je hebben ze ook in Nederland een top tien‑hit gehad. De Kreunermania heeft hier een klein beetje geleefd.
Ben Crabbé is naar eigen zeggen ook een groot fan van Johan Cruijff en een overtuigd Ajaxied. Wat heb jij met Cruijff en Ajax?
Jij weet dingen die ik niet weet (lacht). Ik heb samen met de familie Cruijff een boek gemaakt: het heet Cruijff 75. Toen ik opgroeide was hij hét idool. Ik ben Ajaxied, maar ik ben één jaar voor Feijenoord geweest. Dat was het jaar dat Cruijff voor Feijenoord speelde (seizoen 1983‑1984, nvdr.). Cruijff is de Eddy Merckx van Nederland. Zo kan ik het wel zeggen. Alles wat die man gedaan heeft, is raak. Ik heb het helemaal gevolgd van toen ik jong was. Ik heb ook nog het boekje 74, krankzinnige verhalen over het WK 1974 geschreven. Maar Cruijff heeft altijd gelijk, zelfs als hij geen gelijk heeft. Hij is onze grootste sporter.
Jouw boek Dutch Mountains is in België minder bekend, maar hier in Nederland geldt het als hét standaardwerk van de Nederlandse muziekindustrie.
Het boek is vijf kilogram zwaar en het gaat over de Nederlandse platenindustrie. Ik heb het verhaal opgepakt van de allereerste pick‑up tot nu. Bij dat boek kregen we klachten binnen van postbodes. Mijn boek over Boudewijn de Groot is ook zwaar, maar dat is nog te hanteren. Dutch Mountains is een keukentafelboek. Ik sprak met heel veel mensen die me zeiden: “Het is een geweldig boek, maar het is niet te lezen. Je moet altijd maar aan tafel zitten om het te lezen”. We hebben daar zo’n keukentafelboek van gemaakt omdat ik me ook uitgeleefd heb in de fotoredactie van dat boek. Dan komen die foto’s ook mooi tot hun recht.
Je schreef ook het boek Testament, de biografie van Lennaert Nijgh. Dat boek is hopeloos uitverkocht. Wanneer komt er een herdruk?
Ik heb geen idee.
Want?
(lacht) Dat is het probleem met meer boeken. Dat geldt ook voor Dutch Mountains. Dat was zo’n duur boek om te maken. Daardoor ligt een tweede druk nogal moeilijk. We hebben er destijds 3.700 exemplaren van gemaakt. Dat is wel absurd veel voor een boek van 90 euro. En toch is het uitverkocht. Het boek Testament was ook erg duur door de uitvoering. Maar ook uitverkocht. Wat eventueel wel nog zou kunnen is een paperbackeditie. Dat kan je ook makkelijk on demand drukken. Ik ben daar nog niet aan toegekomen. Vic van de Reijt heeft wel honderd keer tegen mij gezegd dat dit het verkeerde boek was: ik had een paperback moeten maken. Het heeft ongeveer een jaar of tien geduurd. Toen heb ik hem gezegd: “Je had toch misschien wel gelijk”. Maar ja, toen was ik nog jong: ik wou het gewoon allemaal zelf doen. Hier heb ik in het Letterkundig Museum in Den Haag vier maanden aan gewerkt. Daar is het archief van Lennaert terechtgekomen. Zeven grote dozen vol niet‑gerubriceerde brieven, A4‑tjes en zo. Helemaal uitgespit en gelezen toen. Dat was wat van zijn zolder kwam. Maar een paperback? Als er een uitgever is die het wil, dan mag het.
We zijn toe aan de eilandplaten. We gaan je daarvoor één maand lang droppen op een onbewoond eilandje op de Kaag. Welke platen neem je mee?
De zotte morgen (1970) van Zjef Vanuytsel. Deze plaat vind ik van begin tot het einde goed. Het is de Vlaamse Boudewijn waarvan ik ooit niet wist dat hij bestond. Die liedjes zijn zo goed gemaakt, om te beginnen met prachtige teksten. Ook die klaphoes vind ik heel mooi. Alles klopt op die plaat: de arrangementen van Frans Ieven. Prachtig opgenomen. Tijdloos. Hier kan ik dus uren naar luisteren. Deze plaat heeft ook een revolutie in de Vlaamse muziek veroorzaakt. Nooit eerder werden zoveel exemplaren van een Vlaamse kleinkunstplaat verkocht. Waardoor ook platenmaatschappijen meer in die muziek gingen investeren. 100.000 exemplaren op een bevolking van nog geen 6 miljoen. Ongekend. Kunst van de bovenste plank.
De tweede plaat zie ik al liggen: de elpee Zzrrrrôôô van Jan De Wilde, ook uit 1970. Je hebt niet eens zijn beste elpee eruit gelicht: Vogelenzang 5.
Dat is ook een goeie plaat, maar ik zou dus deze meenemen. Niet Vogelenzang 5. Ik ben een enorme Dylanfan. Als Bob Dylan in Vlaanderen geboren was, dan had hij zó geklonken. Ik heb van Jan begrepen dat hij het zelf ook een van zijn ‘mindere’ elpees vindt. Dat heeft te maken met de bas die “van karton was”. Zo zegt hij het. En hij zegt ook: “Ik heb die hele plaat met een samengeknepen stem gezongen om op Bob Dylan te lijken”. De bas wordt hier gespeeld door Wim ‘Lazerus’ Bulens. Die heb ik ook geïnterviewd. Deze plaat is dus eigenlijk een soort van Lamp, Lazerus & Kris, want ook Guido ‘Lamp’ Van Hellemont doet op deze plaat mee. De drummer Luk Marynissen kon amper maat houden. Maar ik vind die teksten zó humoristisch, zo geweldig: Hier komt Jan De Wilde. Hoekje. En de hit Joke natuurlijk. W.H. Winsel, ken je dat nummer?
Jazeker! “Willem Herman Winsel woonde rustig in de stad, met vrouw en negen kinderen dat was alles wat ie had,…“
Dan ga je dus zoeken. Wat is dat voor liedje? Waar komt dat vandaan? Wat raar. Daar zit natuurlijk een hele geschiedenis achter. Ik heb het ook van Jan zelf gehoord. Het staat ook keurig op Wikipedia. Ik kwam er dus langzaam achter hoe dat zat en dat meneer Winsel een verhaspelde naam was. Maar hij was verre familie van Jan in Aalst. Jan ís Aalst. Het allergrappigste lied vind ik Loebeke.
“‘Loebeke en zijn hond. Ze hadden niet teveel zo voor hun twee, maar toch ze kwamen rond met eten dat correct verdeeld uit hondenvoer bestond”.
Geweldig dat je dat kan citeren! Daar kan ik eindeloos naar luisteren. Het leuke van artiesten als Jan De Wilde – hij is natuurlijk een oeuvre‑artiest – je draait dit nu, maar het kan best zijn dat ik over vier jaar op een andere plaat van hem helemaal verliefd word. Zo rijk is dat oeuvre.
En dan komen we uit bij Wim De Craene. Alles is nog bij het oude (1975). Met een vreemde kroegfoto op de hoes.
Op het Felix Beernaertsplein in Wetteren! Ja, café De Kneut. Je zet die plaat op en dan heb je meteen Tim. Dan ben je klaar natuurlijk. Ik denk dat Wim De Craene van alle Vlaamse artiesten die ik heb leren kennen, hij mij het meest raakt. En als ik écht naar een onbewoond eiland moest, dan zou ik misschien wel een Best of… meenemen in plaats van deze. Want op bijna al die platen staan goeie nummers. Tragisch wel hoe hij geëindigd is. Als je zulke mooie dingen maakt. Ik vind dat Wim De Craene een biografie verdient! Het verbaast me dat die er nog niet is. Eigenlijk moet die er komen. Het klopt allemaal zo. Die liedjes zijn ook ‘groeiers’.
We zijn al aan de vierde van de eilandplaten.
Jus d’orange (1976) van Lieven. Ook het hele verhaal van deze plaat is heel erg leuk. Ik heb de technicus van deze plaat gesproken. Dat was niet zo moeilijk, want hij is een vriend van me. Ik heb ook gitarist Eef Albers en bassist Wim Essed gesproken. En vooral Wim Essed raakte niet uitgepraat over wat een muzikaal genie deze man is. Wim heeft op platen van Boudewijn de Groot en Robert Long gespeeld. Ik had toen ook wat muziek mee. Ik liet wat muziek van Robert Long en Lieven horen. Maar hij was helemaal weg van de muziek van Lieven. Die blijft gewoon overeind. Hier staan Neerhof, Tuinfeest, Niemand weet en Akkerwinde op. Dat zijn mijn lievelingsnummers van deze plaat. Het grappige is dat Lieven vindt dat al de andere nummers op deze plaat mislukt zijn. Spitsuur bijvoorbeeld. Geweldige plaat. Dit is wel mijn persoonlijke smaak die ik hier nu zit te promoten.
Het zijn jouw eilandplaten. Jij zal het ermee moeten doen als je op dat eiland op de Kaag zit.
Ja, en als vijfde plaat hebben we deze. Maar daar hoef ik jou helemaal niets over te vertellen: Enfant Terrible (1975) van Bert De Coninck. Jij weet er meer van dan ik. Het is me allemaal teveel en Zaal 10: geweldige nummers. Speelgoedpop – dat heeft hij me zelf verteld, dat zal hij ook wel tegen jou gezegd hebben – vond hij een beetje te snel gespeeld. Toen ben ik nog eens gaan luisteren. Ja, dat klopt. Pas 25…
Er is geen detail op deze plaat dat minder dan perfect is.
Als je weet onder welke omstandigheden deze plaat opgenomen is. Bert vertelde dat de studio niet zo top was. Maar ik hoor dat helemaal niet terug op deze plaat. Deze vijf platen… Als je dit niet goed vindt, dan weet ik het niet meer (lacht). Dit is muziek van de bovenste plank. Dit is cultureel erfgoed. En het erge is dat er toch veel mensen zijn die dit niet beseffen. Daarom alleen al ben ik blij dat ik die verhalen heb opgeschreven. Ik heb dit met veel plezier gedaan. Het is gewoon een feest om naar deze platen te luisteren. Ik heb natuurlijk erg zitten twijfelen, want zo kon ik voor dit boek nog 100 andere platen uitkiezen. Toen ik Bert telefonisch sprak voor dit boek, klonk hij heel zwak. Ik heb geprobeerd het zo kort mogelijk te houden. Hij was wel grappig nog. Hij was wel een goeie verteller. Hij staat ook met die speelgoedpop op de hoes. Hoe is het mogelijk? En Jean Rousseau was ook een goeie gitarist. En prachtige verhalen natuurlijk. Volgens mij heb ik uit jouw interview dat hij met de radio aan ging slapen. Omdat hij hoopte dat dat zijn songschrijven ten goede zou komen. Als je er zó mee bezig bent.
Dat is het jammere aan Bert! Als hij in Nederland had gewoond, had hij gewoon een Philipscontract moeten pakken. In Nederland had hij nog langer de kans gehad om nog meer platen te maken. Je ziet toch vaak in België dat het na één plaat al stopt. Je hebt een paar uitzonderingen. Jan De Wilde heeft goed gedoseerd. Raymond heeft écht een oeuvre opgebouwd. Tja, moeilijk. Frank Vander Linden is ook zo iemand. Heb ik boven een mooie rij cd’s van. Je moet blijven bouwen. Ook Johan Verminnen vertelde me dat: niet stoppen en doorgaan. Dan kom je er vanzelf als je een bepaalde dosis talent hebt. Het is geweldig: Vlaanderen boven!
Je kan het Groot Vlaams Liedboek hier bestellen.



