Het was zaterdag en de festivalweide droeg intussen de sporen van twee dagen metalgeweld. Vermoeidheid was hier slechts een bijwerking. Want zodra de eerste gitaren door de Kortrijkse lucht sneden, verdween elke gedachte aan rust naar de achtergrond. Alcatraz liet zijn ware gedaante opnieuw zien, met een muzikale storm van dreigende duisternis en verstikkende riffs tot brute breakdowns, verschroeiende gitaren en melodieën die zich ergens diep onder de huid nestelden. Op de verschillende podia werd opnieuw geen genade gevraagd en al helemaal niet gegeven.
Wij focusten vooral op de Prison Stage en namen de vrijheid om ook even te gaan dansen met dj Turbeau (Franky De Smet – Van Damme) in El Presidio, wat interviews te doen met Belgische bands en onze maag een kwartiertje overhoop te halen met ons lumineus zelf-samengesteld festivalmenuutje van het obligate glas rode wijn, met een Indian curry, een aardbeienmilkshake en dat alles beneveld met een flinke laag bodemstof, dat als een dreigende woestijnwolk rond de Prison Stage hing.

Met Biohazard kregen we daar één van de stevige hardcore-/ crossover-dates. Met hun mix van hardcore punk, metal en hiphop-elementen, keerde de New Yorkse band terug naar het festival na hun sterke passage in 2023.
Evan Seinfeld, Billy Graziadei, Bobby Hambel en drummer Danny Schuler (die zijn verjaardag mocht vieren op dit podium!) vormden de klassieke line-up die in 2022 weer samen kwam. Ze brachten een set waarin ze niet zomaar wat klassiekers bij mekaar gooiden, maar trokken een stevige lijn van Urban Discipline naar Divided We Fall, tracks die nog steeds ruiken naar beton, bloed, zweet en de achterbuurten van New York.
Geen tijd voor een beleefde kennismaking, want met Urban Discipline (één van hun klassiekers uit 1992) was de toon onmiddellijk gezet, met die rauwe, logge bas, vlijmscherpe gitaren en de herkenbare stemmen van Evan Seinfeld en Billy Graziadei die zich door de muziek heen leken te vechten. Shades of Grey en Fuck the System trokken de lijn meteen door. Muziek die duwt! Wrong Side of the Tracks bracht vervolgens een sterkte confrontatie tussen groove en agressie. Hardcore met spieren, metal met straatvuil onder de nagels.
Een kleine desoriëntatie bij Evan, want enthousiast connecteerde hij met het publiek, met de woorden: “Let’s go, Graspop!” Euh… Alcatraz dus! Het was één van onze favoriete vol getatoeëerde spierbundels uit de muziekwereld snel vergeven.
Daarna volgde Forsaken, één van de nieuwere nummers van op Divided We Fall. En daar gebeurde iets interessants want wie dacht dat Biohazard vooral een nostalgische trip zou worden, kreeg lik op stuk. De nieuwe nummers staan zonder moeite tussen het oude materiaal. Black And White And Red All Over en Eyes On Six hielden de druk en het tempo in de circle pits hoog. Met Five Blocks To The Subway en Fight To Be Free keerde de band opnieuw naar haar hardcorewortels. De ruimte voor de Prison Stage veranderde in een kolkende massa.
En dan die Bad Religion-cover We’re Only Gonna Die. Geen slechte keuze, als je dan toch per se een cover wilt spelen. Biohazard maakte zich het nummer volledig eigen zonder de punkgeest eruit te slopen. Kort, venijnig en recht voor de raap. Precies zoals het hoort.
Het absolute hoogtepunt kwam wanneer Punishment werd ingezet, alsof ze ons er nog moesten aan herinneren waarom Urban Discipline zo’n monument is geworden! Wanneer ook leden van Sworn Enemy mee op het podium verschenen voor de vocals en bas, ontplofte de Prison Stage helemaal. Dit was geen gewoon nummer meer, maar een collectieve aanval, waarbij de grens tussen podium en publiek leek te verdwijnen.
Wat overbleef was enkel ritme, geschreeuw, vuisten, beweging en die typische hardcore-energie waarbij niemand zich afvroeg of het allemaal nog wel netjes binnen de lijntjes bleef. Maar wie houdt dan ook van lijntjes?!
En dan koos Biohazard voor een verrassend ingetogen, maar bijzonder betekenisvolle finale: Hold My Own, opgedragen aan Lou Koller van Sick of It All, die nog geen drie weken geleden op 59-jarige leeftijd overleed. Een mooi gebaar.
Een band die drie decennia later nog altijd klinkt alsof de wereld hen persoonlijk iets verschuldigd is en nog altijd dezelfde agressieve combinatie van hardcore, metal en straatenergie beheerst. De New Yorkse straatwoede van Biohazard is nog lang niet aan hun pensioen toe!
Meer van dit, en dat kregen we ook met Hatebreed dat de Prison Stage vervolgens overnam en een monsterlijke set van 90 minuten speelde! Sinds hun ontstaan in 1994 heeft Hatebreed een eigen soort muzikale kortsluiting ontwikkeld: hardcorepunk die tegen een muur van metal aangaat, riffs die klinken als betonmolens en vocals die niet zozeer gezongen worden als wel uit de keel worden geperst. Een van de belangrijke bruggenbouwers tussen de Amerikaanse hardcore- en metalscene. Centraal in die storm staat vandaag nog steeds Jamey Jasta. Geen frontman die vanaf veilige afstand zijn teksten declameert, maar een menselijke vuurtoren van adrenaline!
I Will Be Heard klonk niet als een opener, maar als een officiële oorlogsverklaring, waarbij meteen al wat vuurtjes op het podium gespuwd werden. En het publiek antwoordde onmiddellijk, waarbij die eerste minuten van de set als een gecontroleerde explosie binnenkwamen. Kill Count Increase en To the Threshold volgen elkaar op en veranderen de massa voor het podium in een organisme dat voortdurend bewoog, duwde, sprong en botste.
Met As Diehard as They Come en Make the Demons Obey schakelde de band nog een versnelling hoger. Jasta’s stem klonk rauw, bevelend en onvermoeibaar. De band zelf speelde als een geoliede bulldozer. Strakke riffs, dreunende drums en breaks die haast ontworpen leken om een volledige mensenmassa tegelijk van de grond te laten komen.
En dan kwam Smash Your Enemies. De Prison Stage veranderde even in een menselijke centrifuge. Wie dacht dat drie dagen Alcatraz misschien voor enige vermoeidheid zouden zorgen, had duidelijk geen rekening gehouden met Hatebreed. Live for This kwam vervolgens als één van de absolute hoogtepunten. Het nummer is ondertussen een klassieker binnen het Hatebreed-universum en kreeg hier precies de behandeling die het verdiende: rechttoe rechtaan, messcherp en geen gram overbodige ballast. Daarna ging de sloophamer gewoon verder.
“Everyone Bleeds Now.
Destroy Everything.
This Is Now.
Proven.”
De tracks die volgden leken geen afzonderlijke hoofdstukken meer. Het werd één lange, kolkende stroom van riffs, breakdowns en geschreeuw. Vooral Destroy Everything leek de festivalweide even terug te brengen naar de oertijd van de hardcore: eenvoudig, brutaal en onweerstaanbaar effectief.
Bij Tear It Down, Last Breath en Driven by Suffering werd nog maar eens duidelijk waarom Hatebreed al decennialang een vaste waarde is. Dit is geen band die zijn muziek voortdurend opnieuw moet uitvinden.
Seven Enemies en Empty Promises volgden, waarna Perseverance bijna vanzelfsprekend op zijn plaats viel. De titel alleen al vat de filosofie van Hatebreed samen: niet opgeven. Doorgaan. Nog een keer. Nog harder.
Als afsluiter kregen we Looking Down the Barrel of Today en zo werd het Prison Stage precies datgene wat Alcatraz al drie dagen probeerde te zijn: een plek waar je vrijwillig je vrijheid opgeeft om je volledig over te leveren aan de muziek. Hatebreed heeft gesproken en ja, we hebben het gehoord.
Wij sloten onze avond af met een klassieker: Testament. Meestal kiezen we voor andere subgenres binnen de metalwereld, want toegegeven: we hebben wel wat werk van Testament in onze thuiscollectie, maar er ligt intussen wel een laagje stof op deze klassieke trashmetal…
Welgeteld 43 jaar is de band actief en dat maakt dat ze – nog voor ze ermee stoppen – al een legacy met bijhorend erfgoed nalaten. Niet zomaar door hun langdurige bestaan en ervaring, maar vooral door hun technische virtuositeit en melodische gitaarduels. Niet te negeren, dus!
De Amerikaanse thrashmetalveteranen hebben inmiddels ruim vier decennia op de teller staan, maar wanneer Into the Pit door de luidsprekers van het Prison Stage knalt, lijkt de kalender plots een bijzonder onbetrouwbaar instrument. 1987? 1988? 2026? Wie maalt erom? Chuck Billy staat achter de microfoon en de tijd kreeg een stomp in het gezicht.
Met Henchmen Ride werd het gaspedaal verder ingedrukt. De gitaren van Eric Peterson en Alex Skolnick klonken alsof ze elkaar voortdurend probeerden te overtreffen. Technisch, strak en razend maar nooit steriel. Dat is precies waarin Testament zich onderscheidt: achter de snelheid zit altijd een gevoel voor melodie.
Daarna volgt Practice What You Preach, duidelijk een publieksfavoriet. De set begon zich te ontrollen als een reis door de Testament-geschiedenis, zonder dat het optreden ooit in een nostalgische herhalingsoefening veranderde. Want dan kwam met Infanticide A.I. een sprong naar het heden. Testament was dus niet van plan uitsluitend museumstukken af te stoffen. Het oude en het nieuwe materiaal konden hier probleemloos naast elkaar staan.
Met Shadow People en More Than Meets the Eye bleef de band balanceren tussen technische precisie en pure agressie. De drums joegen de riffs voort, Billy’s stem klonk diep en dreigend en ondertussen bleef Skolnick gitaarlijnen uit zijn instrument trekken alsof hij daar ergens een geheime voorraad extra noten had gevonden en dat gold evengoed voor Sins of Omission. En dan vertraagde de machine even voor The Ballad. Een welkome ademruimte, al is dat natuurlijk maar relatief. Bij Testament betekent een ballad nog steeds dat de elektrische gitaren ergens op de achtergrond dreigend staan te wachten tot ze opnieuw mogen toeslaan. Dat gebeurde met Electric Crown. So Many Lies en Nature of the Beast volgden, maar het was vooral vanaf First Strike Is Deadly dat het ware feest voor de old school liefhebbers losbarstte.
Als afsluiter kregen we Over the Wall, wat bewees dat ervaring niet noodzakelijk gelijkstaat aan voorzichtigheid. Deze mannen speelden nog steeds alsof ze iets te bewijzen hadden.
En als we thuiskwamen, hadden we alleen nog maar zin om te schrijven:
Een eiland waarvan niemand wil ontsnappen
waar vrijheid een zwart t-shirt draagt
en de gevangenisbewaarder een gitaar om de nek heeft.
Hier worden dromen niet opgeborgen achter tralies,
maar opengezet op standje elf.
De zon schijnt. Een doodskop glimlacht.
Iemand verliest zijn stem en vindt hem terug in een circle pit.
Dit is geen gevangenis. Dit is Kortrijk.
Hier worden duizenden mensen
vier dagen lang vrijwillig opgesloten
tussen bier, modder, riffs en veel te weinig slaap.
De beschaving staat aan de ingang en vraagt om een polsbandje.
De duivel staat aan de bar en bestelt nog een pint.
Op het podium wordt de wereld vernietigd
in perfecte maat.
Double bass.
Blastbeat.
Breakdown.
Amen.
Een engel probeert een gitaar te stemmen
maar wordt weggejaagd door een deathmetalband.
Ergens tussen twee podia
staat een man van zestig met een t-shirt
dat ouder is dan sommige festivalgangers.
Hij headbangt.
De wetenschap heeft hier geen verklaring voor.
De nacht valt.
De rook stijgt.
De lichten branden
alsof de hemel een kortsluiting heeft.
En wij? Wij blijven.
Alcatraz is de enige gevangenis ter wereld
waar de gevangenen zelf hun cel betalen,
waar de tralies uit Marshall-versterkers bestaan,
waar de cipiers stage-diven,
waar de straf bestaat uit drie dagen te weinig slaap,
en waar niemand naar huis wil.
Morgen ontsnappen we. Zeggen we.
Maar eerst nog één band.
Nog één nummer.
Nog één pint.
Nog één keer de duisternis in.
Merci Alcatraz!



