Met een naam als Jacob Kirkegaard ben je geboren voor dark ambient. De man is dan ook niet bang van donkerder onderwerpen: verklanking van Chernobyl (4 Rooms), Fukushima (Stigma), een smeltend Groenland (Isfald), oorlog (Kryds Ild/Crossfire), van de akoestiek van een mortuarium, opnamen van een autopsie, een crematie (inbegrepen vermaling van resterende botfragmenten), en het vergaan van een lijk onder begeleidend gezoem van hongerige vleesvliegen (Opus Mors). Anders dan tekst en beeld, is geluid dan ook een veld dat voorlopig nog niet erg het voorwerp is van censuur. Als pendant voor zoveel gewichtigs maakte hij trouwens ook een werk rond het vliegen van een vlinder, in relatie tot de chaostheorie (Chaos Edge).

Dit keer evoceert Kirkegaard delen uit het verhaal van een historische, vergeefse ballonvaart richting Noordpool. Die werd ondernomen door de Zweedse Salomon August Andrée en twee kompanen, vanaf 11 juli 1897, ter verkenning van een streek die toen nog vele mythes in zich droeg. Sommigen geloofden zelfs dat je op de Noordpool een gat vond waarlangs je de binnenkant van de aarde kon exploreren, al was de theorie van de Holle Aarde toen al meer dan een eeuw ontkracht. Andrée zocht vooral een alternatief voor de zo vaak op ijsschotsen lekgeslagen bootexpedities in kompasrichting. Van hem en zijn gezelschap werd echter geen spoor meer gevonden, tot late zomer 1930 een bevroren, onthoofd lijk werd gevonden op Kvitøya. Meer lees je in Alec Wilkinsons De IJsballon, verschenen in 2012.
Kirkegaard wimpelde nadere toelichting over het maken van het album helaas af – hij laat het werk liever voor zichzelf spreken. De forse blizzards in Ascend blijven dan ook onverklaard: geen ballonvaarder stijgt op bij winden sneller dan 4 beaufort, ook niet de waterstofballon van Andrée.
Drift zet meteen de sfeer neer van het desolate landschap waarin goed twee dagen na vertrek werd geland na een waterstoflek. Modulaire synths creëren met spaarzame, elektroakoestisch aandoende vegen een beeld van drijvend ijs in een oneindige witte leegte, onderbroken door tien meter hoge ijskammen. Zwaarbeladen sleden slepen sporen door Astray: een landschap met een ampele arctische vogel als verder teken van leven, net zo goed geplaagd door af en toe een sneeuwstorm. Even later steekt Nyctophobia op: angst voor de duisternis.
Andrée had ambitie – hij had zelfs een smoking aan boord ingeval hij na poolpassage ontvangen zou worden door een gezagsdrager – maar rekende ook tegenslag in, met een kleine sloep aan boord. Daarmee gaat Wreckage aan de slag, peddelend door een onverbiddelijk bijtende ijswind.
Ook het gemoed zakt onder nul met Scavenge en Animal. Fysiek onvoorzien op lange barre tochten diende een derde van de 600 kg overlevingsmateriaal achtergelaten te worden, op gevaar voor eigen leven een zeldzame ijsbeer bejagend. Geestelijke doembeelden dagen op in Phantasmagoria, trage elektrische gitaren en golven witte ruis drukken de laatste flarden hoop de kop in met Torment.
Het begeleidende promopraatje vergelijkt de plaat met Thomas Köner wiens vaak arctisch gerichte werk toch echt ruimtelijker is; wat onderkoeld soms, maar vaak met fijn detail. Deze plaat zet natuurlijk ook sonische indrukken van een leeg landschap neer, voegt er hoorbaar het gewicht van gaandeweg verloren gaande hoop aan toe, maar ontbreekt het soms nét een tikje aan begrijpbaar detail binnen die plotlijnen. Je eigen verbeelding is dus net zo goed een instrument bij het daarom soms wat hermetisch aanvoelende Snowblind.