Oost-Vlaams beton in een keizerlijk paleis. Met hun debuutalbum The Palace levert Cesar Sun een ontembare live-sensatie af. Dit Gentse powertrio trekt je onverbiddelijk mee in een sonische guerrilla. Hierbij verbindt een bloederige navelstreng de rauwe energie op het podium rechtstreeks met de bezeten oerdrift van hun muziek.
Terwijl de zon ongenadig hard op de kasseien brandt, werpt keizer Julius Caesar vanaf zijn hooggelegen terras een blik op het volk. Er hangt een sfeer van eenheid in de lucht, maar schijn bedriegt. Waar de Romeinen dachten het monopolie op superioriteit te hebben, dendert daar plots een Gents powertrio over de heuvels. Frontman Taron Zohrabyan, bassist Tijl Coorevits en drummer Jannes Degrande laten Asterix en Obelix verbouwereerd achter in de berm. Hun songs wegen immers zwaarder dan de meest massieve menhir.

Met The Palace schrijft Cesar Sun geschiedenis vanuit de beslotenheid van de Gentse underground. Het trio overmeestert de rest van de wereld als een overrompelende stormram met hun nietsontziende geluid. Het album begint bijna vroom met een poëtisch geprevel dat dienst doet als een vredevolle verbroedering. Maar vergis je niet. Zodra Coorevits zijn basgitaar in overdrive jaagt en Degrande zijn cimbalen aan gort mept, vallen de eerste mokerslagen. Het dorstige Where Is The Wine? ontpopt zich zo van een brok trots spierballengerol tot een maatschappijkritische oerschreeuw tegen de morele leegte van de consumptiemaatschappij.
Het is rauw en ontembaar. De ronkende stoner-riffs versmelten met de tomeloze energie van punk, terwijl de psychedelische uitstapjes je brein net genoeg masseren voordat de volgende uppercut valt. Zelden horen we een band die op plaat zo dicht tegen de intensiteit van een live-ervaring aanschuurt. Dat de band hiervoor samenwerkte met Adam “Atom” Greenspan, de man die eerder de sonische pletwals van IDLES in goede banen leidde, is eraan te horen. Dat gebeurt zonder gejoel of handjesklappen, maar met een energie die de zweetdruppels over je rug doet lopen terwijl je passief in je propere zetel zit te luisteren. De band spuwt levend braaksel over het podium van ons knusse salon en laat ons verweesd, maar voldaan achter.

Toegegeven, na het zesde nummer dreigt de muur van fuzzgitaren je trommelvliezen te verdoven en is de plaat stilistisch niet altijd even consistent. Een ultrakort intermezzo als Nightshop hakt de spanningsboog even onhandig doormidden. Net voor de eentonigheid echt toeslaat, trekt het trio je gelukkig weer bij de les. Uit de brokstukken van die keizerlijke pretentie rijst zo een nieuw soort bouwwerk op. The Palace is geen paleis van goud en fluweel, maar een kathedraal van rauwe emotie en Oost-Vlaams beton. Wie denkt dat de heren hiermee al hun kruit hebben verschoten, onderschat de gelaagdheid van hun guerrillatactiek. De overige tracks laten zich simpelweg niet vangen in een voorspelbare blauwdruk. Die aanval moet je vooral zelf ondergaan.
Toch loert in diezelfde arena het ultieme gevaar. Het risico bestaat dat deze nietsontziende veldslag op plaat niet volledig gewonnen kan worden, simpelweg omdat de munitie soms net iets te grillig wordt opgesoupeerd. Maar wat geeft het? Een troostende certitude hebben de mannen sowieso al op zak.
Met hun eerdere, bloedstollende supportshows lieten ze samen met de Gentse speednoise-broeders van RONKER immers al een volledig platgebrand en overwonnen slagveld achter. Het fundament van deze band ligt dan ook ontegenzeggelijk op de planken. Het podium is hun baarmoeder en dat is de enige plek waar ze zich via een bloederige navelstreng écht verbonden weten met hun publiek.


