De Detroitse ondergrond is sinds lang weer in opbouw na jarenlang verval. We vonden deze parel terug in een graffiti verslindende garage tussen de restanten van MC5, Stooges en ? and the Mysterians. Drie legendes die niet zouden misstaan op de befaamde Children Of Nuggets-boxen. Deze cultband laat hier vooral even aanstekelijk speelplezier zien, het soort dat floreerde in de jaren ’60. Je weet wel, de vervlogen tijd die langharige familiefoto’s heeft voortgebracht van ondertussen kalende familieleden. Hun cultstatus komt ook een heel klein beetje door een zekere Jack White, die mee de blauwdruk vorm gaf bij de premature debuutplaat van The Go.

En dan ligt daar plots Free Electricity. Een plaat die vijfentwintig jaar lang ergens in een donker, vochtig hoekje heeft liggen wachten tot iemand er eindelijk met een zaklamp op scheen. Geen opgeblonken stukje garage-nostalgie dus, maar een hoop lawaai die nog altijd klinkt alsof ze gisteren in een smerig Detroitse repetitiekot op tape is gekwakt. The Go vertrekt vanuit die vertrouwde industriële fundering, maar hebben geen enkele goesting om daar braaf op te blijven staan. De gitaren klinken vuil en hoekig, de versterkers staan op springen en ondertussen komt er van alles binnenwaaien. Psychedelica, free jazz, space rock, noise. De garagepoort staat open en blijkbaar mag iedereen binnen. Denk aan een psychedelische freakout waar er bewust wordt geflirt met de grenzen van de conventionele rock. Speekselklieren die vocht afscheiden op dia’s, die vervolgens worden geprojecteerd op een beschimmelde binnenmuur. Het soort muziek dat puberale omnivoren laat verdwalen in de platenkast van wat ooit relevante hippieouders waren.
De bas en drums houden ondertussen de zaak met haken en ogen bijeen. Geen strak metronomisch gedoe, maar een ritmesectie die ruimte laat voor de gitaren om te zwerven, te botsen en al eens tegen de muur te knallen. Het wonderlijke is dat The Go zelfs in hun meest ontspoorde momenten nooit helemaal vergeten is waar de song zit.
Secular Century Man bewijst dat onder al die distortion nog altijd een verdomd goeie song zit, lekker strak zoals The Kids. All Dimensions Are Loose trekt de boel verder open, terwijl Into Outer Space en Pharoah’s Tomb de titels niet bepaald als een suggestie beschouwt. De garage begint langzaam te zweven, free jazz komt binnenvallen alsof ze hier nog een sleutel had liggen. En dan hebben we Blood Red Sun, bijna twaalf minuten lang. Stonerrock, prog, jazz, feedback en een sax die precies dringend ergens naartoe moet. Een nummer dat zijn eigen einde precies niet goed weet liggen en daar eigenlijk ook niet wakker van ligt.
Misschien was dat in 2001 net het probleem. Na Whatcha Doin’ kon men bij Sub Pop wellicht een volgende typische garageplaat verwachten. The Go hadden daar duidelijk geen goesting in. Terwijl een groot deel van de garage-revival terug naar Detroit zat te kijken, stonden deze mannen al met één voet buiten de garage. En dus bleef Free Electricity liggen. Vijfentwintig jaar later is dat eigenlijk een ferm cadeau. Want deze plaat klinkt niet als een verloren relikwie die we uit nostalgie nog eens mogen afstoffen. Ze klinkt levend. Onrustig zelfs. De sixties invloeden zitten diep in de fundering, maar The Go hebben er ondertussen hun eigen kot bovenop gezet. Een kot waar de muren geregeld verschuiven en de elektriciteit onreglementair voor vonken zorgt.
Golden Dawn brengt op het einde nog wat licht in de zaak. Tegen dan is de zekeringkast waarschijnlijk al gesprongen, maar niemand lijkt daar een probleem van te maken. Free Electricity is vijfentwintig jaar te laat verschenen en toch klinkt de plaat alsof wij vooral te laat waren om ze eerder te horen. De stekker zit erin. En ze vonkt nog altijd.