Een jubileum is zelden onschuldig. Het is meestal een manier om het verleden te verpakken als relevantie. Wanneer dEUS een oude B-kant als Overflow opnieuw naar voren schuift, mogen wij dus wantrouwig zijn. Niet omdat het nummer dat verdient, maar omdat het mechanisme dat wel doet.

Overflow ontvouwt zich als een open weiland. Wijds, traag, met meer lucht dan frictie. Wij zien een landschap dat nauwelijks Belgisch aandoet maar mythisch oogt: cowboy en indiaan in de verte, bizons die loom door het gras trekken. Een pastorale rust die bijna verdacht wordt in haar eenvoud. De song gedraagt zich als een herder. Hij houdt zijn kudde bijeen. Geen plotse uitbraak, geen demonstratieve nervositeit, geen intellectueel rookgordijn. Die soberheid is geen effectbejag. Het is controle. Het is vertrouwen in ruimte. Tot het einde.
Daar verschuift het kader. Geen explosie, geen heroïsche climax, maar een lichte vervorming. Alsof het weiland voor een ogenblik onder invloed wordt gezet. Alsof het gras zelf LSD krijgt toegediend. De horizon trilt. De kleuren kantelen. De kudde blijft staan, maar de lucht erboven golft. Dat moment kan bevrijdend werken. Het voorkomt dat Overflow oplost in louter esthetische rust. Het geeft het nummer een rand die blijft haken. Maar het legt ook iets bloot.
Misschien is die hallucinatie geen versiering maar een reflex. Alsof dEUS de sereniteit niet volledig durft te vertrouwen. Alsof er toch een kleine ontregeling nodig is om te bewijzen dat ze nog altijd kunnen wringen. De herder die zijn staf neerlegt — of net even tikt omdat hij bang is dat de kudde hem te rustig volgt.
Precies daar krijgt Overflow zijn gewicht. Niet omdat het breekt, maar omdat het balanceert tussen contemplatie en lichte zelfondermijning. Tussen open landschap en een bijna paranoïde correctie van die openheid.
En laat dat duidelijk zijn: dit is geen archiefcuriosum. Dit is een nummer dat toont dat dEUS ook zonder nervositeit kan raken. Misschien precies wanneer ze hun eigen drang tot experiment bijna loslaten. Wat hier bijna misloopt, maakt het sterker. Alsof de band even vergeet wie ze geacht wordt te zijn — en net daardoor overtuigt.