Home Belgisch PETER VAN DYCK

PETER VAN DYCK

by Didier Becu

Ze bestaat! Het ultieme naslagwerk van de Nederlandstalige pop. In het lijvige boek Watskeburt, Lage Landen? (uitgebracht door Lannoo) schetst Peter Van Dyck op een grappige, maar enorm informerende manier de geschiedenis van alles wat er in Vlaanderen en Nederland gebeurde op vlak van popmuziek in de moedertaal. Een gesprek met Peter hierover….

500 bladzijden naslagwerk. Daar moet nogal wat tijd zijn ingekropen, niet?
Zo’n vijf jaar, want in 2014 had ik het concept rond. Vanaf dat moment ontwikkelde ik een zesde zintuig voor alles wat met Nederlandstalige muziek te maken heeft. Spotte ik ergens een artikel, dan hield ik het bij. Hoorde ik een mooi nummer, dan registreerde ik het meteen. Ik checkte hitlijsten met Nederlandstalige songs van bloggers, om te zien of er liedjes tussen zaten die ik nog niet kende en de moeite waren om te checken. Ik begon ook systematisch biografieën van belangrijke artiesten uit te pluizen. De eerste jaren was ik dus vooral met research bezig. De voorbije twee jaar, toen ik me concentreerde op het structureren en schrijven, waren iets intensiever. Als je alle uren die ik aan het boek spendeerde optelde, zou je waarschijnlijk op een duizelingwekkend aantal komen, maar ik moest het wel zien te combineren met mijn normale dagtaak als freelance journalist en copywriter. Vraag me niet hoe ik het geflikt heb, maar het is wonderwel gelukt.

Wat opvalt, is dat je als Vlaming niet louter voor de Belgische scene koos, maar er ook Nederland bij nam. Vanwaar die keuze?
Als je een boek over het Nederlandstalige lied wil schrijven, lijkt het me enkel fair dat je goed het evenwicht tussen Vlaanderen en Nederland bewaart. Ik vind het bijzonder jammer dat de lage landen, zeker sinds de komst van de commerciële tv-zenders eind jaren 1980, op cultureel vlak zo van elkaar vervreemd zijn geraakt. Nochtans hebben we die gemeenschappelijke taal die ons zou moeten binden. De klassieke media verhinderen dat artiesten nog de grens oversteken met hun muziek. Gelukkig bieden online-platformen als YouTube en Spotify vandaag de kans om zélf op zoek te gaan naar muziek van boven de Moerdijk en daar heb ik gretig gebruik van gemaakt. Zo heb ik razend knappe songs van Nederlandse songschrijvers als Mondo Leone, André Manuel, Daniël Lohues en Kiki Schippers ontdekt die ik graag met het Vlaamse publiek wou delen. Ik hoop dat ook het omgekeerde gebeurt: dat ik Nederlandse lezers een duwtje kan geven om Vlaamse artiesten te gaan exploreren.

Je leest zo de passie die je ervoor hebt, hoe is de liefde voor het Nederlandstalige lied gegroeid?
Het is zeker niet zo dat ik een freak ben die enkel naar Nederlandstalige muziek luistert. Integendeel. Bij ons thuis waren alle genres te horen, in alle talen. Ik kreeg heel wat muziek mee van mijn ouders en van mijn tien jaar oudere broer Dirk. Hij heeft mij Herman van Veen en Raymond van het Groenewoud leren kennen, maar evengoed CCR, Neil Young en Pink Floyd. Mijn beste jeugdvriend Gunter had ook platen van Wannes Van de Velde en Jan De Wilde in zijn platenkast staan waar we samen met veel plezier naar luisterden. En toen de punk en de new wave hun opwachting maakten, toonden groepen als De Kreuners, Arbeid Adelt! en Aroma di Amore dat je ook die stijlen geloofwaardig in onze moedertaal kan brengen. Ik draaide TC Matic, The Psychedelic Furs, Johan Verminnen en Rob de Nijs door elkaar. Misschien dat sommige mensen dat redelijk schizofreen vinden, maar in mijn ogen is zoiets doodnormaal. Waarom ik er dan, met die brede interesse, specifiek voor heb gekozen om een boek aan de Nederlandstalige muziek te wijden? Heel simpel: omdat zo’n boek nog niet bestond. Toch zeker niet een boek dat de diversiteit van de voorbije 70 jaar in kaart brengt, van het levenslied van na de Tweede Wereldoorlog tot de hiphop van nu.

“Serieuze” muziekkenners durven wel eens neerkijken op het Nederlandstalige lied, hoe reageer jij daar dan op?
Ik begrijp dat eerlijk gezegd niet goed. Ik hoor mensen effectief soms heel stellig beweren: ‘Ik luister niet naar Nederlandstalige muziek’. Heel raar vind ik dat. Ik denk dat ze het op een of andere manier te confronterend vinden om iemand in hun moedertaal te horen zingen. In het Engels, het Frans en het Italiaans kun je eigenlijk gelijk wat zingen: het zal altijd redelijk fantastisch klinken. In het Nederlands zijn er twee valkuilen: enerzijds platitudes, anderzijds pseudo-poëtisch gegoochel met dure woorden die niet lekker bekken. Tussen die twee extremen is er echter een behoorlijk groot speelveld. Als iemand dicht genoeg bij de spreektaal blijft, maar toch enige diepgang in zijn teksten weet te steken, dan zie ik niet in wat je daar tegenin kan brengen. Al lijkt het soms dat we niet zo trots zijn op muziek in onze eigen taal, het valt toch op hoe vaak nummers van Bram Vermeulen, Toon Hermans of Frank Boeijen gedraaid worden op begrafenissen. Als er iets ergs gebeurt, een aanslag bijvoorbeeld, dan zie je ook hoe massaal Nederlandstalige liedjes gedeeld worden op social media. Teksten in onze taal komen eens zo hard binnen.

Sommige zaken in het boek zijn vrij onthullend. Hoe heb je bepaalde artiesten zo over de scheef gekregen om zo openhartig te zijn…
Toen ik Henny Vrienten mijn interview met hem liet nalezen, reageerde hij: ‘Ik zat in mijn praatstoel, zeg. Normaal ben ik zuiniger’. Hij was inderdaad opvallend openhartig over bijvoorbeeld zijn vriendschap met Hugo Claus. Hoe dat kwam? Omdat ik de artiesten de ruimte liet om hun verhaal te vertellen, vermoed ik. Ik durf ook weleens een ietwat ongemakkelijke stilte vallen, waarop de geïnterviewde spontaan de drang voelt om verder te praten. Dat is een trucje dat ik zeer goed beheers. (lacht) Wat zeker ook hielp, is dat de artiesten voelden dat ik altijd vertrok vanuit hun métier als liedjesschrijver. Toen ik research deed voor mijn interview met Raf en Mich Walschaerts van Kommil Foo frappeerde het me dat het in gesprekken vaak over hun humor en hun wisselwerking als broers gaat, maar zelden over de liedjes. Raf en Mich apprecieerden het zichtbaar dat ze daar nu ook eens over konden uitweiden. En in de wetenschap dat de songs van Kommil Foo niet zelden over moeizame liefdesrelaties gaan, kun je moeilijk om dat onderwerp ‘de liefde’ heen.

Er zitten ook vaak hartbrekende verhalen in, welke heeft jou het meest geraakt?
Héél schrijnend vind ik hoe in de jaren 1960 jonge zangeressen de speelbal waren van meedogenloze, malafide managers en producers. Dat was echt randje slavernij en kindermisbruik. Bij ons is Liliane Saint-Pierre gelukkig veel sterker uit die nare periode gekomen, maar in Nederland heeft het een aantal beatzangeressen richting depressies en verslavingen geduwd. En ook als je leest hoe André Hazes onder de terreur van zijn vader heeft geleden, breekt dat je hart. Het is een conclusie die je helaas af en toe trekt, bij mensen als Liesbeth List, Rick de Leeuw en Zwangere Guy: dat een ongelukkige jeugd een goudmijn is voor een songschrijver. Zo beweert Guido Belcanto dat de seksuele aanranding waar hij in zijn kindertijd slachtoffer van is geweest, dé drijfveer blijft voor zijn missie om met zijn liedjes de pijn te verzachten.

Heb je al bepaalde reacties van artiesten over het boek gekregen?
Ja, behoorlijk wat. Diegenen die me iets lieten weten, zijn bij momenten zo lovend in hun commentaar dat ik er stil van word. Zo zei Tom America, een jeugdheld van me die met de groep MAM in de eighties hitjes had met Ongelofelijk en Maternité, dat het boek verplichte lectuur zou moeten zijn op rock- en kleinkunstacademies. Een mooier compliment kan ik me nauwelijks indenken, want het was effectief een betrachting om inzichten te verschaffen in het vak van liedjesschrijver en in de mechanismen van de inspiratie. Andere mensen uit de muziekwereld reageren dan weer dat ze het boek heel entertainend vinden, en dat doe me al even hard plezier.

Nu het boek af is, denk je aan nog iets in die richting?
Als journalist ben je gespecialiseerd in de sprint. Ik heb nu voor het eerst een marathon gelopen en dat is me zeer bevallen. Dus ja, dit smaakt naar meer. Maar wat het vervolg dan concreet moet worden? Dat kan alle kanten uit. Ik zeg zeker niet nee tegen het schrijven van een biografie van een artiest, en dat mag gerust ook een figuur achter de schermen zijn, zoals Jean Blaute of Jean-Marie Aerts. Ik geloof ook dat er nog meer te putten valt uit de interviews die ik de voorbije 30 jaar heb gedaan en de verhalen die ik onderweg heb gesprokkeld. Ooit wil ik een fictief dagboek van een muzikant schrijven en verder denk ik nog aan jeugdboeken… Aan ideeën geen gebrek. Dus als het aan mij ligt, blijft het niet bij één boek.

Je was journalist bij de Joepie. Een weekblad die leefde van de sterren en ze ook maakte, zeker in Vlaanderen. Anno 2019 is het ondenkbaar dat er zoiets zou bestaan als de Joepie. Denk je dat dit gemis een rol speelt bij de Nederlandstalige pop?
De Nederlandstalige pop bloeit harder dan ooit tevoren. De radio houdt van Aafke Romeijn, Roosbeef, Eefje de Visser, Yevgueni, Buurman, Brihang… Dus nee, ik denk niet dat Joepie gemist wordt. Zoals je zelf aangeeft: de tijden zijn veranderd. De klassieke media zijn niet meer in staat om artiesten te maken. Spotify, YouTube, Instagram, SoundCloud: daar gebeurt het vandaag. Kijk maar hoe de Nederlandse hiphoppers daar hun gigantische succes hebben uitgebouwd. Maar omdat iedereen relatief makkelijk thuis nummers kan opnemen en ze al even moeiteloos online kan zetten, blijft er nood aan gidsen die de kaf van het koren scheiden. Klassieke media kunnen die rol nog altijd vervullen. Ik denk dat Radio 1 bijvoorbeeld zich zeer verdienstelijk toont in het ondersteunen van het Nederlandstalige lied.

Wie Nederlandstalige muziek zegt, zegt vaak (ten onterechte) Tien Om Te Zien. Het is een item dat zo goed als niet in het boek aan bod komt. Bewust?
In één hoofdstuk ga ik toch dieper in op de popartiesten die Tien Om Te Zien als springplank gebruikten, zoals Clouseau, K3, Yasmine, Isabelle A en Leopold 3. Maar het klopt dat schlagerzangers als Luc Steeno en Jo Vally niet aan bod komen. Als je 70 jaar wil overspannen en toch rond de 500 bladzijden wil eindigen, ben je verplicht selectief zijn. Omdat ik lezers wilde enthousiasmeren, concentreerde ik me op artiesten en liedjes die mij echt aanspreken. Met alle respect voor iemand als Christoff en het publiek dat hij aan zich weet te binden: wat hij doet, weegt toch een pak lichter dan het levenslied van 50 jaar geleden, vertolkt door mensen als Johnny White, Joe Harris en Jimmy Frey. Er valt ook weinig over te vertellen, vrees ik.

Je noemt je boek “een eigenzinnig canon”. Kan je dat eens toelichten?
Dat deed ik in onverdachte tijden. De term canon was toen nog geen beladen term. Des te blijer ben ik dat ik er het adjectief eigenzinnig aan heb toegevoegd. Zoals ik daarnet vertelde, heb ik heel persoonlijke keuzes gemaakt. Vandaar eigenzinnig. Ik denk dat ik trouwens een andere invulling aan het woord canon geef dan de intussen gevormde Vlaams regering. Een canon staat in mijn ogen niet voor verplichte stof. Een canon mag ook niet gebetonneerd zijn, het is iets wat moet blijven evolueren. Anderzijds vind ik het een goede en gezonde oefening om na te denken over ons erfgoed. Wat willen we blijven koesteren? Ik heb met mijn boek een voorzet gegeven, het is aan de mensen om de bal al dan niet binnen te koppen of te trappen. Als het lezers aanzet om na te denken en te discussiëren over wat ze van ons muzikale verleden willen bewaren en aan volgende generaties doorgeven, dan is mijn missie geslaagd. Niemand hoeft het eens te zijn met mijn persoonlijke, eigenzinnige keuzes.

Kill your darlings, wat vind je het allerbeste Nederlandstalig nummer wie en vind je de meest ondergewaardeerde artiest(e)?
Een stoute vraag, want het is bijna onmogelijk om er iets of iemand uit te pikken. Maar ik zal het spel meespelen, in de wetenschap dat ik op een ander moment misschien een ander antwoord zou geven. Ik hou van eenvoud die hout snijdt en om die reden is op dit ogenblik een van mijn absolute favorietjes Lieske van Henny Vrienten. Het nummer gaat over zijn dementerende moeder. Telkens hij haar belt, vertelt zij hetzelfde verhaal. Zij het dat het steeds korter wordt. Dat verhaal gaat over hoe ze als kind leed onder haar tirannieke vader. Elke keer dat ik dit nummer hoor, snijdt het mijn adem af. Zo bloedmooi, zo authentiek, zo ontroerend. Je hoort een zoon die via een song zijn moeder troost. Als we het dan over ondergewaardeerde artiesten hebben, ga ik voor De Kift uit Noord-Holland. Hoewel De Kift ook in Vlaanderen een stevige cult following heeft, vind ik dat deze band niet genoeg geprezen kan worden. Ik word niet makkelijk warm van experimenten waarbij men literatuur aan popmuziek koppelt. Het resultaat voelt al te vaak zwaar op de hand. De Kift slaagt erin stukjes wereldliteratuur tot steengoede songteksten te kneden en hun indringende voordracht doet de rest. Hun platen zitten vol juweeltjes, maar live zijn ze op hun best. Ze brengen een show die naam waardig, zéér energiek en meeslepend. De Kift paart een punk spirit met een levenslustige Balkansfeer en dat maakt hen volstrekt uniek.

You may also like

This website uses cookies to improve your experience. We'll assume you're ok with this, but you can opt-out if you wish. Accept Read More