Home Belgisch Luc De Vos gezien door zijn collega’s

Luc De Vos gezien door zijn collega’s

by Didier Becu

Over Luc De Vos wordt veel verteld. Wij gingen aankloppen bij mensen die het kunnen weten om ons een beeld te vormen van Luc met schrijvers Christophe Vekeman en Herman Brusselmans, journalisten Peter Van Dyck en Bart Steenhaut, Gorki-gitarist Thomas M. Vanelslander, Democrazy-baas Eric Smout, Gorki-roadie Luc Waegeman en collega’s Stijn Meuris en Jonas Winterland.

Door de vele mythes heeft iedereen zijn eigen beeld van Luc De Vos. Hoe herinner jij je Luc?

Christophe Vekeman: Als iemand die heel graag en heel vaak – grijnzend en wel – het woord ‘Walgwekkend’ uitsprak.

Christophe Vekeman

Bart Steenhaut: De meeste van die mythes zijn volgens mij vooral na zijn dood ontstaan. Ik heb Luc een paar keer geïnterviewd, en daar kwam hij me al bij al vrij onzeker over. Zeer intelligent, maar onzeker. Niet als iemand die overliep van zelfvertrouwen. Zijn talent was onmiskenbaar, maar hij was ook de eerste om het te ondermijnen. Vooral tijdens live-optredens. Daar spéélde hij soms zodanig zijn rol als rockster dat de karikatuur nooit veraf was. Ik heb ‘m Mia – toch een bloedmooi nummer – vaak compleet in de prak zien spelen. Moedwillig, bijna. Of tenminste: zo leek het toch. Misschien was ook dat tot die onzekerheid terug te brengen. Anderzijds: zijn liefde voor muziek was onmiskenbaar. Ik kan niet meteen een muzikant opnoemen die ik vaker bij optredens van andere bands zag. Hij bleef ook erg aanspreekbaar voor fans, liep niet naast zijn schoenen. Verder herinner ik me helaas een paar gelegenheden – een verjaardagsfeest bij Kris De Bruyne thuis, ondermeer – waar Luc onder invloed van alcohol compleet weg was van de wereld. Toen dacht ik vooral: hij moet geholpen worden. En snel.

Stijn Meuris: Ik herinner me Luc als een speelse, overjaarse tiener – en geen van die drie woorden is negatief bedoeld. Hij wist zijn talent en dadendrang te koppelen aan een soort spelplezier dat niet alleen op het podium zichtbaar was, maar ook in de contacten die je met hem had. Al heb ik pas na z’n plotse dood beseft dat er ook een donkere kant aan zijn karakter zat. Zoals bij iedereen dus, maar wellicht iets meer uitgesproken bij mensen/artiesten die voortdurend veel van zichzelf geven. Dan kan het gebeuren dat ze ook veel terug verwachten, wat soms tot frustraties en ongeluk leidt. Het is een amateur-analyse, maar het zou wel kunnen kloppen. Maar ik onthoud vooral de Luc die opgewonden was; voor een concert (voor iéder concert), door een nieuwe plaat, door een nieuwe song. Of nog korter; een heerlijk mens om bezig te zien.

Luc Waegeman: Ik herinner me hem vooral als een jonge rocker die ik als roadie/chauffeur bij z’n moeder thuis ging ophalen om Gorky-concerten te gaan spelen. Zijn gitaar mogen vasthouden, stemmen, snaren vervangen, enz…. Hij was ook een grote fan van de SeXmachines waar ik toen bij drumde en hij lachte zich te pletter om onze namen “Danny Cool Rocket”, “Rigo Lering”, “Jean Petrol” en “Luc Raak” alsook met afgeleiden als “SeXmisschiens”…. Hahahaaa!! Gedurende 5 jaar de vaste roadie/roadmanager van hem en Gorki/Gorky. Naast al eens een rosbiefke of een goeie stoverij bij hem thuis, zagen we elkaar enkel nog eens in de Kinky Star, vooral bij concerten van nieuwe, jonge, beloftevolle bands. Een belangrijke inspirator voor de Kinky Star en jonge beginnende rockbands in Gent. De Kinky Star kreeg direct alle steun en loyaliteit van hem!

Herman Brusselmans: Eigenlijk als een stille jongen die rondliep in Gent. Hij was altijd wel tegen iedereen vriendelijk, maar ondanks het feit dat hij op het podium een showbeest was, bleef hij vaak op de achtergrond. Vaak zag je Luc in de stad lopen met zijn muts op, maar met zijn kop in de grond. Een bescheiden jongen, maar dat komt ook door zijn afkomst. Ik denk dat hij zich altijd wel wat onwennig heeft gevoeld in de stad en dat hij meer een jongen van het platteland was. Maar eens hij op het podium stond was dat iets heel anders.

Peter Van Dyck: Heel wat mensen die hem persoonlijk kenden, zeggen dat hij ietwat enigmatisch was en daar moet ik mij bij aansluiten. Hij leek soms bewust te provoceren. Luc kon tijdens een gesprek plots een boude stelling poneren, gewoon om te zien hoe je zou reageren. Het was niet altijd makkelijk om te bepalen waar de ironie stopte. Het gebeurde weleens dat hij iets vertelde wat me deed lachen, maar dan zag je geen spier in zijn gezicht vertrekken en las je in zijn blik: “Maar ik méén dat dus wel, hè”. Ondanks zijn kronkels en eigenaardigheden kon je volgens mij niet kwaad op hem zijn. Naast een meer dan begenadigd (song)schrijver was hij zonder twijfel een goed mens, met het hart op de juiste plaats.

Jonas Winterland: Voor mij is hij in de eerste plaats de man die de soundtrack leverde bij mijn pubertijd. In die verwarrende levensfase heb ik ontzettend veel naar zijn muziek geluisterd en daar veel troost uit geput. Plots was ik niet meer alleen. Plots voelde ik mij begrepen door iemand. En de muziek waar je als puber naar luistert, die blijft je natuurlijk voor de rest van je leven achtervolgen.  

Thomas M. Vanelslander: Ik herinner me van Luc vooral zijn twee kanten die constant aanwezig waren. Licht en donker, oppervlakkig en diep, volks en intellectueel, rustig en rusteloos.
De meeste herinneringen die ik aan hem heb, zijn die van de vele ritten naar en van de optredens. Luc zat meestal achteraan, rustig met zijn krantje. Minding his own business. En af en toe een stok in het hoenderhok gooien met een rake opmerking. We hebben veel afgelachen…

Eric Smout: Als iemand die overal was en die ik overal tegenkwam, onder meer op de twee momenten waarop ik mijn vrouw leerde kennen.

Wat maakte Luc De Vos tot de volksheld die hij nu is geworden, denk je?

Christophe Vekeman: Hij wist zowel in zijn kunst als in zijn verschijning de wanhoop op zo’n manier vorm te geven dat zij van de weeromstuit verkeerde in iets erg troostvols. Dat was zijn grote talent. Mensen herkenden zijn melancholie, maar werden er niet door terneergedrukt – wel integendeel.  

Bart Steenhaut: Ik denk dat hij de Vlaamse volksaard perfect begreep. Door zich als een zotskap op te stellen – op het podium en tijdens televisie-optredens – won hij de harten van het publiek. Alles moest entertainment zijn. Je merkte dat hij het vertikte om zichzelf al te ernstig te nemen. En hij is vroeg gestorven, wat zijn status nog verstrekt heeft. Ik denk vaak: mocht hij geweten hebben hoe graag de mensen ‘m zagen, hij had misschien nog geleefd. Maar ook: mochten al die mensen toen hij nog leefde zijn platen hebben gekocht, was hij er misschien ook nog geweest.

Bart Steenhaut

Stijn Meuris: Ongetwijfeld zijn moeilijk te definiëren maar zeer aanwezige ‘Vlaamsheid’. Het gevoel dat hij ‘één van ons’ was, wat slechts ten dele klopte: Luc was om te beginnen bijzonder belezen en getalenteerd, met de gave om in ogenschijnlijk eenvoudige teksten – waar soms kop noch staart aan te krijgen was, maar toch… – iets te schrijven dat diep sneed. Teksten die een emotionele ader aanboorden die het publiek au fond niet eens wist liggen. En die telkens weer refereerden aan wie ‘wij zijn’. Luc was een Vlaams jeugdhuis in zijn eentje.
Dat talent koppelde hij dan nog eens aan zijn uiterlijk, dat er op geheel eigen wijze ‘on-rock-’n-roll’ uitzag. Zijn bijnaam was Voske, en dat zegt genoeg: verkleinwoorden worden gebruikt wanneer iets dicht bij huis aanvoelt. Niemand zal Frank vander Linden ‘Frankske’ noemen, en ik ben ook geen ‘Stijntje’ of ‘Meuriske’. Luc was ‘Voske’. Groot verschil.

Stijn Meuris

Luc Waegeman: Dit heeft zeker te maken met zijn hele joviale, lieve, volkse aard, goed van inborst en het ‘gewoon zichzelf zijn’ onder ‘alle soort van volk’. En een gevoel uitbrengen waarin heel veel mensen, zowel jongere als oudere, zich in herkennen en dat mee mogen uitdrukken. Kijk naar een song als Mia dat een volks ‘anthem’ is geworden.

Herman Brusselmans: Dat sluit een beetje aan bij wat ik daarnet verteld had. Die bescheidenheid van hem en het feit dat hij tegen iedereen vriendelijk was. Hij zag eruit als een jongen van het volk en dat wist hij bijvoorbeeld te behouden op de manier waarop hij gekleed was of hoe hij sprak. Vaak dialectisch en natuurlijk heeft hij samen met Noordkaap de Nederlandstalige rock op de kaart gezet. Mia is een volkshymne geworden die gezongen wordt door het stadium van AA Gent, of neem het feit dat er meer dan 5000 mensen op zijn begrafenis waren, dat zegt genoeg. Je kunt nooit voorspellen of iemand een volksheld zal worden of niet, maar bij Luc hing dat wel een beetje in de lucht en Gent heeft wel iets met volkshelden, denk maar aan Walter De Buck.

Peter Van Dyck: Ook dat is best raadselachtig. Ik heb er al vaak mijn hersens over gepijnigd waarom regels als ‘sterren komen, sterren gaan / alleen Elvis blijft bestaan’ tot in voetbalstadions toe luidkeels worden gezongen, en met veel liefde. Daar kun je de vinger niet op leggen, maar het staat vast dat wat Luc zong een massa mensen raakte. Hij is ook altijd, bijna zoals een coureur, bereikbaar gebleven. Hoeveel succes hij bijwijlen ook had, hij bleef pinten gaan drinken zoals iedereen en naar jonge bandjes gaan kijken zoals iedereen. Hij belichaamde heel erg de Vlaamse volksgeest. Hij moet zeker in die Vlaamse canon, meneer Jambon.

Jonas Winterland: Ik vermoed omdat hij zowel laag- als hoogopgeleiden aanspreekt. Hij was een soort volkse intellectueel: een schrandere geest, maar met een grote affiniteit voor eenvoudige, volkse mensen. Die was bij hem niet gespeeld, zoals je bij sommige politici ziet.  Hij kende dat milieu echt van binnenuit.  

Christophe Vekeman tijdens grafrede van Luc

Thomas M. Vanelslander: In zijn teksten zong hij over ‘gewone dingen’, maar zonder dat het te banaal klonk. Hij kon diepe gevoelens in zeer alledaagse bewoordingen of situaties schetsen. Ze waren nooit hoogdravend en gingen toch semi-stiekem over de Grote Zaken van het leven. Hij was zeer benaderbaar, altijd vriendelijk. Iedereen die hem tegenkwam en aansprak, had na 2 minuten al het gevoel dat hij een kameraad van hem of haar was. 

Eric Smout: Omdat hij zo bereikbaar en zo ‘gewoon’ was en daarom ook zo bijzonder.

Kan je je een leuke gebeurtenis met Luc voor de geest halen?

Christophe Vekeman: Ik koester de laatste keer dat ik hem zag, we reden samen naar de Boekenbeurs en in de auto bracht hij een liedjesmedley van Cat Stevens, daar mijn vrouw zo-even had beweerd geen songs van Cat Stevens te kennen. Op de Beurs interviewde ik hem, en bij het verlaten van het Bouwcentrum kreeg iedereen een flesje bruin bier, in het kader van een reclameactie. ‘Walgwekkend,’ vond Luc, en hij gaf zijn flesje aan mij. Het staat nog altijd in onze koelkast.  

Bart Steenhaut: Zelfs de slechtste concerten van Gorki waren altijd geestig.

Stijn Meuris: Ik kwam Luc vooral backstage tegen, en een paar keer ergens in een opnamestudio. En dan was ik toch altijd weer onder de indruk van hoe ie alle zorgen van de wereld wist te counteren door gewoon wijdbeens te gaan staan, een luchtgitaarbeweging te maken en daarbij luidkeels “Yeah baby!” te roepen. Doorgaans volstond dat om een heel gezelschap in de juiste mood te brengen. Moet je kunnen. Hij kon dat.

Luc Waegeman: De mooiste herinneringen naast alle concerten, Hollandse en Vlaamse toernees en onze Senegal-trip, zijn diegenen waarbij we samen op een podium stonden. 
Op een dag was Vos solo akoestisch geboekt geweest op een studentencantus in Den Twieoo in de Overpoortstraat in Gent. Die studenten zag hij al niet zo zitten maar om er dan nog eens akoestisch z’n nummers te moeten gaan brengen!?? Toen heeft hij mij en mijn collega Luc Veggie (drummer Crossfader) gevraagd om er samen met hem full power tegenaan te gaan en hebben we al die studenten een poepje laten ruiken met covertjes van Smashing Pumpkins, Nirvana, Liar van Henri Rollins, Paranoid van Black Sabbath, enz…. Niks akoestische Gorky-songs maar samen lekker vuile vettige rocksongs spelen voor een bende zatte studenten. (lacht)
De twee andere zalige herinneringen waren beiden op het grote podium van Sint-Jacobs tijdens de Gentse Feesten. Enerzijds met Starfighter toen we Pink Floyd’s The Nile Song speelden en anderzijds met Needle And The Pain Reaction toen we Madonna’s Material Girl coverden, telkens met Vos als special guest op de zang. Hilarisch mooie, intense momenten die me voor altijd zullen bijblijven.

Herman Brusselmans: We waren ooit met drie koppels die gingen gaan eten in een restaurant in Gent nabij het Gravensteen. Eén van de koppels was Luc met zijn vrouw Sandra. Nadat iedereen beslist had wat we we gingen eten was Luc plotseling verdwenen, maar Sandra vond dat helemaal niet vreemd. Ze belde hem op en toen bleek dat hij wat verderop gegaan was om in zijn eentje te gaan eten. Hij had een echte crazy twist in zijn brein, eigen kronkels die soms in zijn voor- en nadeel speelden.

Peter Van Dyck: Na een interview bij hem thuis vond hij het niet kunnen dat ik opnieuw de confrontatie met de harde en koude buitenwereld aanging zonder eerst de innerlijke mens te versterken. Moest hij niet even voor mij wat lapjes spek bakken? Of een biefstuk? Het typeert de warme en tegelijk maffe mens die hij was.

Jonas Winterland: Ik was erbij toen Gorki op Rock Werchter de Marquee inpalmde. Nog altijd één van de indrukwekkendste concerten die ik in mijn leven gezien heb. Onvoorstelbaar hoeveel energie er toen door de tent raasde, en hoeveel liefde je vanuit het publiek voelde uitstralen naar de mannen op het podium. Nog nooit meegemaakt. Je voelde ook dat die liefdesverklaring van het publiek klaar en duidelijk aankwam bij Luc en zijn muzikanten. Het geluk straalde er gewoon van af.  

Thomas M. Vanelslander: Elke keer hij zijn bovenlijf ontblootte en dan met zijn armen wijd gestrekt naar het publiek stond te stralen en genieten.

Thomas M. Vanelslander bij Gorki (c) Geert Bonne

Eric Smout: De opnames van het StuBru-programma Collage waren onvergetelijk, zeker de versie in het Gentse Nieuwpoorttheater. Presentator Luc Janssen en de zaal kwamen niet meer bij.

De teksten van Luc De Vos waren van vitaal belang. Hoe belangrijk zijn die voor je?

Christophe Vekeman: In die mate belangrijk dat ik Luc de meest onderschatte Nederlandstalige literator van de laatste decennia vind – voor zover je dat kunt nagaan, natuurlijk, maar goed. Over de kwaliteit van zijn lyrics zullen de meesten onder ons het wel eens zijn, maar zijn honderden columns en romans als De Rest Is Geschiedenis en Paddenkoppenland werden ook tijdens zijn leven reeds door pers en publiek op voor mij onbegrijpelijke wijze al te zeer veronachtzaamd. Wonderlijk genoeg klinkt zijn stem op papier even welluidend en herkenbaar als in zijn prachtliederen, en dat, gekoppeld aan de combinatie van gedurfde openhartigheid en verneukeratieve ironie die al zijn teksten kenmerkt, maakt hem voor mij tot een schrijver van de absolute, zeer dunbevolkte bovencategorie.

Bart Steenhaut: Ik heb geen flauw idee van waar hij het in zijn teksten over heeft, maar dat stoort niet. Ik hou net van dat abstracte, impressionistische. Hij schilderde met woorden. Je kan er je eigen invulling aan geven, wat ik een pluspunt vind. Het geeft de teksten net eeuwigheidswaarde. De klankkleur van zijn woorden vind ik in zijn geval veel belangrijker dan wat ze concreet betekenen. Dat is wat mij betreft zijn sterkste punt

Stijn Meuris: Heel belangrijk. Ik kom er nu weer achter, nu we bezig zijn met de voorbereiding van de Gorki-avond in de Vooruit op 26 november, wat voor een parels daar tussen zaten. En soms waren het gewoon korte frases die blijven hangen, of die een heel bepaalde sfeer opriepen. “Niemand kent de ware pijn / van Zola Budd in de rechte lijn” (uit Nooit Meer Winter) is bijvoorbeeld zo’n zinnetje; een tamelijk onbekend nummer, maar tekstueel typisch Luc De Vos. Een verhaaltje, een sprookje, een eigenzinnige benadering van iets banaals dat uit zijn pen en mond toch weer poëzie wordt. En het mooie: Zola Budd bestond echt. De jonge Zuid-Afrikaanse atlete die op blote voeten alle loopwedstrijden won. Wanneer zo’n poëtische tekst ook nog eens een grond van waarheid bevat, dan ben ik helemaal mee.
Mag ik nog even de zin “Ik zag je voor het eerst bij het zwembad met je moeder / Ze was even mooi als jij / Ik werd haar slaaf, haar kleine loeder” aanhalen (uit Soms Vraagt Een Mens Zich Af)? Die ene zin roept meteen een hele film aan associaties op, een hitsige Franse film uit de jaren zeventig, een in flou artistique opgetrokken scene die zich ver van Vlaanderen afspeelt, maar waarin toch dat onzekere jongetje uit Wippelgem de hoofdrol opeist. Je kan er over discussiëren, maar voor mij is dat dus pure klasse.

Luc Waegeman: Zijn teksten zijn zeker mooi en soms heel herkenbaar maar voor mij persoonlijk niet van vitaal belang (lacht).

Luc Waegeman

Herman Brusselmans: Die waren redelijk bijzonder. Een combinatie van verschillende genres van literaire teksten. Soms waren het onbegrijpelijke absurditeiten, maar hij kon ook simpele teksten schrijven of kleine tafereeltjes scheppen die zeer herkenbaar zijn. Af en toe zelfs wat politiek erbij, maar het was vooral volkspoëzie.

Peter Van Dyck: Zijn teksten waren bij vlagen briljant, maar toch weet ik niet of ik hem bijvoorbeeld mijn favoriete tekstdichter zou noemen. Maar ook al sloop er soms een zekere laksheid in de teksten, toch slaagde hij erin om ze, in combinatie met de muziek, altijd goed te doen klinken. Inhoudelijk durfde hij in herhaling te vallen. Hoeveel van zijn songs gaan niet over gefnuikte dromen en verloren onschuld? Maar weet je, het is heel dubbel, want op het laatste studio-album Research & Development goochelde hij op onnavolgbare wijze met managementtaal. Echt prachtig gedaan, maar op zo’n moment mis je dan toch plots die diepere persoonlijke laag van een Anja of Geef Al Je Geld Aan De Arme Kinderen.

Jonas Winterland: Enorm belangrijk: die teksten bezitten een gelaagdheid en rijkdom die ik nog niet eerder gehoord had in de vaderlandse popmuziek. Ik ben, net als Luc De Vos, een grote fan van Gerard Reve, en je merkt dat dat voor hem een grote invloed was. Maar ik wil ook zeker een lans breken voor zijn melodieën, want ik vind dat daar vaak onterecht misprijzend over gedaan wordt. De teksten springen misschien het meest in het oog, maar het zijn de zanglijnen die ervoor zorgen dat die teksten binnenkomen.

Thomas M. Vanelslander: Ik kon en kan soms in liedjes die ik 100 keer gehoord heb, toch nog iets nieuws ontdekken. Net omdat hij het vaak zo alledaags verpakte, passeert het diepere niveau je soms ongezien. Tot je er eens voldoende bij stilstaat.

Eric Smout: Ik heb niets met teksten, dus kan ik niets over zeggen.

Eric Smout

Luc, wordt vaak omschreven als een anti-ster. Klopt dat?

Christophe Vekeman: Elk sterrendom is natuurlijk relatief, maar als je wie hij was, waar hij vandaan kwam, wie hij heeft willen worden, in welk land hij leefde en wat hij ten slotte bereikt heeft naast elkaar plaatst en het allemaal eens op je gemakje en min of meer objectief begint na te gaan, dan kan je niet anders dan concluderen dat hij wel degelijk een riante ster was, die het hele rock-’n-roll-gebeuren in Vlaanderen bovendien met grote inzet heeft helpen vormgeven. Natuurlijk straalde hij daarnaast een vrij sterke toegankelijkheid uit, en sjokte hij regelmatig weinig glorieus langs de Gentse straten met zijn kop tussen zijn schouders, maar dat hoorde ook bij zijn sterrendom vind ik. Hij kon zich dat allemaal permitteren, hij bleef te allen tijde zijn mysterie behouden. Hij was schuchter en schutterig en cool en zelfverzekerd tegelijk: dat bleef fascineren.

Bart Steenhaut: Het is alleszins hoe hij zichzelf graag profileerde, vooral op de momenten dat hij heel hard zijn best deed om zich als een rockster te gedragen. Weinigen komen met die tegenstelling weg, maar hem lukte dat prima.

Stijn Meuris: Het ligt er maar aan wat je een ‘ster’ noemt. Minder glamoureus dan anderen misschien, minder uit op breedgedragen bekendheid of banale aanwezigheid. Dat zeker. Maar anderzijds wist hij perfect hoe hij een publiek moest bespelen. Op een wat stuntelige jongetjesachtige manier, met gespeelde branie en een eigen taaltje. Maar in mijn ogen was hij wel degelijk een ster. Laat het me zo zeggen: als een ster iemand is die de kamer vult wanneer ie ergens binnenkomt, dan was Luc een ster. Eentje die een stuk langer zal meegaan dan veel andere zogenaamde vedetten.

Luc Waegeman: Mogelijk, sterallures heeft hij nooit gehad.

Herman Brusselmans: Hij wist zeer goed wat hij moest doen om zich een ster te tonen, en vaak ook met ironie. Ik herinner mij zeer goed dat hij in De Laatste Show verscheen met een volledig andere haartooi, gouden kettingen en een trainingspak aan. Maar anderzijds zag je hem ook op het podium met een t-shirt en een jeans. Luc was een zeer intelligente gast die zeer goed wist hoe hij hij met dat bv-schap moest omgaan. Maar van arrogantie bij hem was er nooit sprake…

Peter Van Dyck: Hij speelde dat in ieder geval graag. Of hij speelde net de ster en vergrootte dat uit. Er was een periode waarin Luc bewust een karikatuur van zichzelf maakte – gehuld in trainingsvest en met een gouden ketting om de hals – maar ik kan moeilijk beweren dat dat mijn favoriete periode was. Soms deed het me echt pijn om hem zo bezig te zien. Ik had hem liever puur, zoals in de eerste jaren van Gorki.

Jonas Winterland: Onzin, natuurlijk was hij een ster. Het beeld van de anti-ster bestaat omdat hij, naast die onmiskenbare ‘star quality’, ook nog inhoudelijk iets te vertellen had.  En dat kan je natuurlijk niet van alle sterren zeggen. Veel sterren zijn weinig meer dan prachtig vormgegeven leegte, maar Luc niet. Hij had echt iets te vertellen. Als dat van hem verwacht werd, kon hij de clown uithangen, maar in zijn werk als songwriter en schrijver was hij zeer eerlijk en oprecht.

Jonas Winterland

Thomas M. Vanelslander: Hij was een meester in relativering. Eerst een boude stelling verkondigen, maar die dan telkens weer laten volgen door: “Ja, maar ik zeg ook maar wat, hé. Voor mij is het allemaal goed, hoor.” Hij was heel belezen, maar als hij gevaar liep te intellectueel over te komen, nam de volkse Luc snel weer de overhand om het te counteren.
Hij was een rock-‘n-roll ster in Vlaanderen en dan kom je na een succesvol optreden alweer snel met de voetjes op de grond. Hij kon wel eens scheef lachend van zijn voeten maken dat hij als vedette thuis ook gewoon de afwas moest doen. Hij genoot uiteraard wel van de aandacht en wou graag een wereldster zijn, maar dan mocht het zeker niet te lastig zijn. En hij moest wel elke nacht naar huis kunnen gaan slapen. En het mocht geen al te vreemd eten zijn, enkel gewone kost. Enzovoort. Dus ook wat dat betreft, haalde hij zichzelf of dat idee van wereldster onderuit. 

Eric Smout: Natuurlijk.

Wat is het allermooiste Gorki-nummer voor je en kun je zeggen waarom?

Christophe Vekeman: Ooit Was Ik Een Soldaat. Alle thema’s die in het leven van enig belang zijn – liefde, hunkering, voyeurisme, eenzaamheid, religie, verlossing, oorlog, vrede, kindertijd, verdrukking, humor en maatschappij – zijn van de partij. En ik hou van het rijm en de melodie.  

Bart Steenhaut: Liever dan één nummer wil ik er een volledige cd uit pikken: Hij Leeft, de meest atypische plaat in het repertoire wegens opgenomen in Senegal, met heel wat Afrikaanse invloeden in de arrangementen. Muziek zoals de ervoor – en erna – nooit in het Nederlands gemaakt is. Heel geestig: de Frank Vander linden name-check in In het grote dierenboek. Subtiele, maar bijzonder geslaagde humor.

Stijn Meuris: Moeilijke vraag. Monstertje is momenteel mijn favoriet, maar dat was gisteren iets anders (Soms Vraagt Een Mens Zich Af bijvoorbeeld, met een drive en een positivisme dat enkel Gorki geloofwaardig kon brengen), en dat zal morgen misschien weer iets anders zijn. Geef Al Je Geld Aan De Arme Kinderen is ook zo’n klassieker, qua tekst en muziek. Dramatisch, diepzinnig en ongebreideld tragisch. Maar o zo mooi. 

Luc Waegeman: Lieve Kleine Piranha heeft een stukje solo met mondharmonica en na ettelijke concerten met zo’n ‘Bob Dylan staketsel’ voor z’n mond, was het hem te veel en heeft hij me op een keer vlak voor een optreden dé solo van Lieve Kleine Piranha leren spelen op dat ding. Sinds dat optreden bleef ik dit live elke keer doen en kondigde hij me ook steeds af na het solootje. (lacht)

Herman Brusselmans: Het meest voor het hand liggende is natuurlijk Mia, maar toch ga ik voor Lieve Kleine Piranha. Dat is een topnummer, ook de tekst. Ik was meteen verliefd, ook het liedje dat bij mij onmiddellijk is doorgedrongen. Een instant classic.

Peter Van Dyck: Ik zal bewust niets kiezen van het debuut, al is die plaat bijna in zijn geheel klassiek te noemen. Sorry dat ik vals speel, maar ik wil toch graag twee nummers noemen. Van de rocksongs is Wie Zal Er Voor De Kinderen Zorgen mijn favoriet. Een productioneel juweeltje en het typevoorbeeld van hoe een tekst van Luc die op papier misschien niet zo uitzonderlijk oogt via de muziek helemaal tot leven komt en je tot in je diepste vezels beroert. Van de kalme nummers kies ik Hij Leeft, omdat het hier de kora is die de tekst een extra dimensie geeft. Ik weet dat Luc zelf weinig heil zag in het avontuur in de Senegalese studio van Youssou N’ Dour, maar ik ben producer Sylvain Vanholme dankbaar voor die zet.

Peter Van Dyck

Jonas Winterland: Moeilijk! De klassiekers uit de beginperiode zijn natuurlijk volkomen terecht klassiekers geworden, maar ik kan makkelijk tien recentere songs opnoemen die voor mij even belangrijk zijn als Mia of Lieve Kleine Piranha. Morgen zal ik misschien een ander nummer noemen, maar vandaag kies ik voor We Zijn Zo Jong. Dat lied grijpt mij telkens opnieuw naar de keel omdat het tegelijk zwaarmoedig en hoopvol is. Als na het laatste refrein de gitaren een laatste keer gescheurd hebben en dan het slotwoord overlaten aan een eenzame piano, phoe! Op dat moment kunnen ze mij telkens opnieuw bij elkaar vegen. (En nu ik erover nadenk: de combinatie ‘zwaarmoedig’ en ‘hoopvol’ is misschien wel een goede samenvatting van de persoonlijkheid van Luc De Vos).

Thomas M. Vanelslander: Goh, dat wisselt erg. Met die eerste platen ben ik opgegroeid en die maakten een grote indruk op me. Er waren toen maar een paar groepen die bewezen dat je in onze eigen taal ook lekkere rockmuziek kon maken. Toen ik hen zoveel jaren later leerde kennen en ik er op de duur ook bij kon gaan spelen, was dat natuurlijk zeer fijn. Misschien kies ik daarom voor Beste Bill, omdat ik mooie herinneringen heb aan de versie die we ervan gemaakt hadden, en omdat het het laatste nummer was dat we samen hebben gespeeld. Tijdens een tv-programma, ik denk Café Corsari.

Eric Smout: Een Schaduw In De Schemering. Ik weet niet waarom.

You may also like

This website uses cookies to improve your experience. We'll assume you're ok with this, but you can opt-out if you wish. Accept Read More